De kwaliteit van ons rechtssysteem

DE KWALITEIT VAN ONS RECHTSSYSTEEM

Het is gewoon niet te geloven

GERECHTSHOF TE ‘S-GRAVENHAGE

Beklagkamer

Op 17 september 2007 werd ondergetekende in de gelegenheid gesteld om een eerder door hem ingediende klacht inzake het niet vervolgen van een brigadier van politie, Hollands Midden die door ondergetekende werd beschuldigd van valsheid in geschrift,nader toe te lichten.

Uit de stukken en bij de behandeling in raadkamer bleek het navolgende:

Klager is op 28 mei 2002 door W.J. van Vliet, brigadier van politie Holland Midden, aangehouden in verband met verdenking van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Klager is hieromtrent op genoemde datum als verdachte gehoord door beklaagde.

Het naar aanleiding van het verhoor van klager opgemaakte proces-verbaal is door klager op elke pagina geparafeerd en op de laatste pagina ondertekend.

Klager heeft op 16 december 2004 bij de politie aangifte gedaan terzake van valsheid in geschrift.

Klager stelt dat hij op de kopie van het proces-verbaal van zijn verhoor d.d. 28 mei 2002, welke kopie hij op 16 april 2004 via het O.M. in handen heeft gekregen, geplaatste parafen en handtekening weliswaar herkent als de zijne, doch dat hij zijn handtekening in zijn herinnering destijds op een andere plaats in het proces-verbaal heeft geplaatst.

Voorts herinnert klager zich niet dat op de afzonderlijk door hem geparafeerde pagina’s van het proces-verbaal nummers stonden.

Ter zitting in de raadkamer heeft klager verder aangevoerd dat het oorspronkelijke proces-verbaal in zijn herinnering vier in plaats van drie pagina’s besloeg en er een belangrijke passage omtrent de overmachtsituatie waarin klager zich ten tijde van het ten laste gelegde feit bevond ontbreekt.

Op 9 december 2006 heeft klager hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter waarop het gerechtshof te ‘s Gravenhage klager op 10 november 2005 heeft veroordeeld tot het betalen van een geldboete terzake van het hierboven genoemde artikel.

Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.

Nu blijkens het ambtsbericht van de advocaat-generaal mr. Renckens d.d. 8 februari 2007 en de mededeling van de advocaat-generaal ter zitting in raadkamer het originele proces-verbaal van verhoor van klager d.d. 28 mei 2002 onvindbaar gebleken is en nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut derhalve niet mogelijk is, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat thans niet meer overtuigend kan worden vastgesteld dat er frauduleuze handelingen met betrekking tot het opmaken van het betreffende proces-verbaal hebben plaatsgevonden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Wijst het beklag af.

Hoewel de daarin genoemde feiten correct zijn weergegeven richt mijn bezwaar zich met name tegen uit het in de laatste alinea van het betreffende stuk getrokken conclusie, zoals dit in het daarop volgende punt is omschreven.

Met name wordt hierbij gemakshalve voorbijgegaan aan het feit dat ondergetekende een klacht bij het O.M. heeft ingediend wegens valsheid in geschrifte zonder dat hiernaar daadwerkelijk een onderzoek is ingesteld. Sterker nog dat het belastende bewijs door het O.M. is vernietigd.

Voor deze omissie acht ondergetekende de Hoofd Officier van Justitie Mr. W.B.M. Tomesen verantwoordelijk.

Aangezien de beschikking geen enkel woord van kritiek richt jegens het O.M. is hierdoor het beeld bevestigd dat het O.M. willens en wetens het bewijsmateriaal inzake mijn aanklacht heeft vernietigd om een reeks haar onwelgevallige zaken te verdonkeremanen, enerzijds uit de behoefte om het bolwerk van old boys in stand te houden, anderzijds ter verdoezeling van een reeks van slordigheden, lamlendigheid en leugenachtigheid, waarop ik, in het hierna volgende verslag het met name reeds genoemde individu durf aan te spreken.

1 April 2008
By on 16:36
Briefwisseling

Rechtbank ‘s Gravenhage,
Sector kanton, locatie Leiden
Postbus 1171
2301 ED Leiden.
T.a.v. Mw. Mr. M.G.L. den Os-Brand
Ktg nr. 526548                                            30 december 2005,

Mevrouw, 

Ondergetekende diende zich op 18 oktober 2005, blijkens eenontvangen dagvaarding te verantwoorden inzake een door hem gepleegdesnelheidsovertreding van maar liefst vier kilometer per uur, dus minderdan de loopsnelheid van een wandelaar.
Ieder weldenkend mens zal hetmet ondergetekende eens zijn  dat deze tenlastelegging niets uitstaandeheeft met verkeershandhaving, maar dat het hier puur gaat om hetuitmelken van de automobilist.

Wat hem op die dag hogelijk verbaasd heeft is dat u als fungerendkantonrechter deze zaak kennelijk niet in behandeling wenste te nemenen ondergetekende bij het verlaten van de zaal toebeet dat een andererechter de honneurs voor wat betreft zijn zaak zou waarnemen.

Dit leidde vervolgens tot grote hilariteit van de overige aanwezigenverdachten in de zaal tot een kleedpartij achter de coulissen, hetgeenbij ondergetekende associaties opriep van een amateur toneel gezelschapin een of ander patronaatsgebouw.
Dit beeld werd nog versterkt toenna enkele luttele minuten de deur weer eensklaps geopend werd en deheer van Leeuwen in een kennelijk te korte toga ten tonele verscheen.
Uzult het ondergetekende  dan ook niet euvel duiden dat een dergelijkpotsierlijk optreden, mede gelet op de ernst van de onderhavige zaakniet bepaald bijdraagt tot het respect en aanzien van de rechtspraak.

Aangezien het proces-verbaal van deze terechtzitting omtrent dereden van deze wonderlijke manoeuvre geen uitsluitsel biedt, zou ik hetop prijs stellen, indien u mij hieromtrent zou willen informeren.

Ondergetekende gaat er hierbij vooralsnog niet van uit dat uwhandelswijze iets uitstaande heeft met de terechtzitting van 29 oktober2004 (ktg nr. 431777/04.268 waarin hij zich moest verantwoorden voorhet feit dat hij als gevolg van overmacht, (volgens de tegen hemuitgebrachte dagvaarding), zijn auto had geparkeerd op een trottoir,terwijl het in werkelijkheid een verharde middenberm betrof.

Hoewel hij bij instelling van beroep zowel middels een foto-opnamevan de betreffende locatie, alsook middels een rapport van het C.R.O.W.(het kennis platform infrastructuur verkeer, vervoer, openbare ruimte)had bijgesloten ten einde het O.M. duidelijk te kunnen maken wat hetverschil is tussen een trottoir en een verharde middenberm, was ditblijkbaar onvoldoende om het O.M. van zijn gelijk te overtuigen.

Ondergetekende vraagt zich dan ook af wat het nut is van deprocedure, zoals die in de wet Mulder is vastgelegd, anders dan eenstel ongemotiveerde ambtenaren op kosten van de automobilist aan hetwerk te houden om de werkeloosheidscijfers te camoufleren
Aangeziende jonge dame, die blijkens de ontvangen dagvaarding omschreven alsvertegenwoordiger van de officier van justitie, ten aanzien van ditpunt in haar requisitoir volhardde en u in eerst aanleg de indruk wektemet haar kromme redenering en gebrekkige kennis van zaken mee te gaan,heeft ondergetekende, zoals een kok een smakelijke ossenhaas braadt vaneen koeienlijk, met succes gehakt gemaakt van de uitgekraamde onzin vande betreffende jongedame.

Gelet op de toonhoogte van de later met u gevoerde correspondentie,een gevolg van het feit dat u in een later stadium weigerde de doorondergetekende gemaakte reiskosten, ondanks oorspronkelijke bewilligingte vergoeden, is zijn verweer bij u blijkbaar niet in goede aardegevallen.

Immers bij indiening van de gewraakte declaratie waarbij duidelijkwerd aangegeven dat het reizen per openbaar vervoer geen optie was,heeft u met de door ondergetekende  gemaakte autokosten ingestemd opvoorwaarde dat hij de gederfde arbeidsuren niet in rekening zou brengen.

Blijkbaar heeft de aan u gerichte brief d.d. 30 december 2004,hoewel scherp doch correct van toonzetting, uw egootje dusdaniggeraakt, dat u in weerwil van de meest elementaire vormen van fatsoengenoemde brief heeft geretourneerd, zonder inhoudelijk hierop te hebbengereageerd.

Ondergetekende meent zijn reactie op een dergelijk onbeschoft optreden met zijn aangetekend schrijven
d.d. 26 januari 2005 voldoende aan u te hebben duidelijk gemaakt.

Wat hij zich thans wel afvraagt is of uw vreemde reactie van 18oktober 2005 nog een gevolg is van uw kennelijke frustraties, rondomdeze affaire.

Indien ondergetekende voor uw merkwaardig optreden een verklaringonthouden wordt, ziet hij dit als een bevestiging van zijn opvattingdat een rechter met een dusdanig wraakzuchtige karakterstructuur hetjuiste profiel mist om als zodanig te functioneren en overweegt hij danook zijn bevindingen ter bestemde plaatse onder de aandacht tebrengen.                                                    

                                    Hoogachtend,

                                                                  w.g.     J.C. de Wilde

Als reactie op deze brief ontving ik een brief van de president van de Rechtbank ‘s Gravenhage ,
Mr.H.F.M. Hofhuis, gedateerd  12 januari 2006, waarin de magistraat mij deontvangst bevestigt van mijn brief van 30 december 2005, gericht aan dekantonrechter mevrouw mr. M.G.L. den Os -Brand.
Naar hij mijberichtte werd deze brief beschouwd als een klacht, waarop diende teworden beslist door het bestuur van de rechtbank
De kantonrechter,zo vervolgde hij zijn brief had een reactie gegeven op mijn brief,waarvan hij mij , naar ik althans aanneem,  van een gedeelte deelachtigmaakte.
Naar verluidt had mevrouw de kantonrechter hem het navolgende geschreven:

Ik heb in 2004 een Mulderzaak behandeld waarbij de heer De Wilde in beroep was gekomen.
DeHeer De Wilde refereert aan die zaak in zijn brief en stelt dat hetging om een zitting op 29 oktober 2004. Ik neem aan dat dit juist is.Het beroep van de heer De Wilde heb ik gegrond verklaard en hij vroegvervolgens om een reiskostenvergoeding. Die heb ik toegekend. De heerDe Wilde zei per zitting dat hij niet met het openbaar vervoer van zijnwoonplaats naar Leiden kon komen, gelet op het aanvangstijdstip van debehandeling van zijn zaak. Ik heb hem gezegd dat hij dan de reiskostenper auto vergoed zou krijgen. Bij het op schrift stellen van debeslissing bleek mij dat de heer De Wilde mij onjuiste informatie hadverstrekt. Volgend de reisplanner was tijdig verschijnen in Leiden peropenbaar vervoer wel mogelijk, waarop ik de reiskostenvergoeding hebvastgesteld overeenkomstig het openbaar vervoer tarief. Nadat debeslissing aan de heer De Wilde was toegezonden heeft hij mij een  -naar mijn gevoel-  erg onaangename brief gezonden waarop ik vervolgensheb geantwoord. Op zijn daaropvolgende schriftelijke reactie heb ikwederom geantwoord, waarna hij mij wederom schriftelijk benaderde. Ikheb hem toen bericht dat ik verder niet meer zou reageren, omdat mijnsinziens de zaak was afgedaan.
Toen ik bij de voorbereiding van deMulderzitting van 18 oktober 2005 constateerde dat er weer een beroepvan de heer De Wilde behandeld werd, heb ik mijn collega mr. R.T. vanLeeuwen gevraagd die zaak te doen, omdat mij dat beter leek. Op 18oktober 2005 zat de heer De Wilde al in de zaal "op de publieketribune" voordat zijn zaak aan de beurt was. Toen zijn zaak aan debeurt was heb ik geschorst en ben in mijn toga de zaal uitgelopen,waarbij ik aan de heer De Wilde heb meegedeeld dat een andere rechterzijn zaak zou behandelen. Nadat mr. van Leeuwen de zaak had behandeld,ben ik verder gegaan met  de Mulderzitting. Ik meen me te herinnerendat de heer De Wilde toen nog enige tijd in de zaal is blijven zittenx85

De brief van de President werd vervolgd  met de mededeling datalvorens door het bestuur van de rechtbank op mijn klacht zou wordenbeslist hij mij in de gelegenheid stelde binnen 14 dagen na dagtekeningvan zijn brief te reageren. Na het verstrijken van deze termijn zou hijvervolgens omtrent mijn klacht een beslissing nemen.
Vervolgens werd deze brief afgesloten met de mededeling dat een kopie van ditschrijven werd gestuurd naar de sectorvoorzitter kanton alsook naar dekantonrechter, die hij alsnog met name noemde.

Per brief van 16 januari 2006 heb ik mijn reactie op bovengenoemde brief gegeven.
Indeze brief heb ik de President onder ogen gebracht dat ik in mijn briefvan 30 december 2005 mevrouw de kantonrechter slechts gevraagd had, watde reden was om het door mij ingestelde beroep in een Mulderzaak niette willen behandelen. Voorts heb ik mijn verbazing uitgedrukt  over hetfeit dat ik via hem had moeten vernemen dat mijn brief  d.d. 30december 2005 gericht aan  mevrouw den Os als een klacht werd opgevat,terwijl het indienen van een klacht geenszins het oogmerk was bij hetschrijven van de betreffende brief.
Ik heb hier direct aantoegevoegd dat de lezing van zijn brief, waarin hij de reactie vanmevrouw uiteenzette voor mij aanleiding was mij te beklagen , aangezienmevrouw andermaal de waarheid geweld aandeed.
Vervolgens heb ikuitvoerig belicht wat mij was overkomen, waarbij  ik er nog steeds vanuit ga, dat de President  op tal van punten het verschil in lezingheeft onderkend en op grond van het door mij aangereikte bewijs t.w.een kopie van  het door mij op 29 oktober 2004 ingediendedeclaratieformulier, waarop naast de door mij gedeclareerde autokosten,terdege als alternatief de kosten en reistijden via de trein warenvermeld, tot de conclusie moet zijn gekomen dat ik in deze de waarheidspreek en mevrouw de Kantonrechter het haar vertoonde gedragcamoufleert met een leugen.

Vervolgens heb ik nog in deze brief aangegeven dat ik, ondanks mijn inspanningen,  weer terug was op het oorspronkelijke uitgangspunt t.w.mijn vraagstelling zoals omschreven in de voorlaatste alinea van mijnbrief
d.d. 30 december 2005 t.w. de  vraag of de vreemde reactievan mevrouw  de kantonrechter op 18 oktober 2005 nog een gevolg was vanhaar kennelijke frustraties rondom eerder genoemde trottoirincident.

Hierop werd mij door de president van genoemde rechtbank per briefvan 7 februari 2006 bericht  dat het conform de klachtenregeling van derechtbank ‘s Gravenhage niet mogelijk was te klagen over inhoudelijkeen processuele rechterlijke beslissingen, hetgeen hij als volgttoelichtte:

U kunt, zoals is neergelegd  in de klachtenregeling van de rechtbank’s Gravenhage niet klagen over inhoudelijke en processuele rechterlijkebeslissingen. Het is niet te rijmen met de onafhankelijkheid van derechter dat ik mij daar een oordeel over zou vormen. Beide aspecten vanuw klacht hebben betrekking op beslissingen van de kantonrechter. Ditbetreft dus zowel de beslissing om uw beroep van 18 oktober 2005 telaten behandelen door een collega als de beslissing om de door ugemaakte autokosten niet te vergoeden. Ik neem uw klacht om die redenniet in behandeling.
Overigens ben ik van mening dat dekantonrechter, hoewel daartoe niet verplicht, u voldoende heeftgexefnformeerd omtrent de beweegredenen om uw tweede beroep op 18 oktoberniet te behandelen.
En kopie van deze brief stuur ik naar de sectorvoorzitter en aan de kantonrechter Mr. M.G.L. den Os-Brand.

Aangezien  uit het ontvangen antwoord bleek dat in het geheel nietwerd ingegaan op de door mij ingediende klacht, was dit voor mijaanleiding om de president te attenderen op zijn omissie, hetgeenresulteerde in mijn brief
d.d. 7 maart 2006.

Ik heb hem in deze brief opnieuw onder ogen gebracht dat mevrouw dekantonrechter, om haar hoogst merkwaardig handelen te rechtvaardigen,de waarheid  aantoonbaar geweld aandoet en daarbij mijn integriteit terdiscussie stelt
Voorts heb ik in deze brief aangegeven dat ik vaneen kantonrechter onkreukbaarheid en integriteit meen te mogenverwachten, criteria die ik bij mevrouw niet meen te onderkennen,hetgeen dan ook de reden is u te verzoeken deze affaire als een klachtte willen behandelen.

En passant heb ik nog vermeld, dat het mij niet duidelijk was waarophij zijn  mening, zoals weergegeven in de laatste alinea van zijnbrief,  baseerde, omdat het door mevrouw gegeven antwoord, dat het haarbeter leek een andere kantonrechter de op 18 oktober 2005 dienende zaakte laten behandelen  geenszins een afdoend antwoord geeft op de doormij in mijn brief van 30 december 2005 aan haar gestelde vraag
Ikheb aan het slot van deze brief mijn verwachting uitgesproken alsnogeen volledig antwoord op mijn eerder verzonden brief te mogen ontvangen.

Aangezien laatstgenoemde brief  eveneens onbeantwoord bleef heb ikper brief van 18 mei 2006 wederom onder de aandacht gebracht, waarvanonderstaand de redactie:

Rechtbank ‘s Gravenhage
Postbus 20302,
2500EH Den Haag
t.a.v secretariaat Klachtenbureau President                 Wilhelminaoord, 18 mei 2006

Tot op heden ontving ondergetekende nog geen reactie op zijn klachtdoor hem ingediend per aangetekend schrijven d.d. 7 maart 2006 jegensmevrouw Mr. M.G.L. den Os-Brand inzake haar beschuldiging in een aan ugeschreven brief, door u in uw brief d.d. 12 januari 2006 ter kennisgebracht aan ondergetekende, als zou hij haar onjuist hebbengexefnformeerd teneinde voor een hogere vergoeding  in aanmerking tekomen voor de reiskosten die ondergetekende heeft moeten maken om dekantonrechter te overtuigen van de onrechtmatigheid  van de hemopgelegde sanctie voor een hem ten laste gelegde parkeerovertreding.
Zoalsondergetekende in zijn brief van 7 maart te uwer kennis bracht meenthij van een kantonrechter onkreukbaarheid  en integriteit te mogenverwachten, waarbij hij tevens aantekent  dat het blijkbaar lichtontvlambare karakter  van mevrouw, zoals zij dit blijkens de zittingvan 29 oktober 2004 ten toon spreidde en haar leugenachtige verklaringom achteraf haar gelijk te halen mij hoogst ongepast voorkomen voor eendame van haar postuur.

Dit is dan ook de reden dat ondergetekende andermaal deze affaireonder uw aandacht brengt met verwijzing naar het eerder gedane verzoekzoals omschreven in zijn brief van 7 maart jl.
Mocht u termenaanwezig achten om bovenstaande klacht niet in behandeling te kunnen ofwillen nemen, dan verzoekt ondergetekende u hem met redenen omkleedthiervan kond te doen.

Teneinde niet de schijn te wekken dat deze affaire onder het tapijtgeveegd wordt, zult u het ondergetekende dan ook niet euvel duiden dathij alsnog op zo kort mogelijke termijn van u een inhoudelijke reactieverwacht

                                                Hoogachtend,

      w.g. J.C. de Wilde

Aangezien ditmaal wederom iedere vorm van reactie uitbleef, heb ikandermaal de President van de rechtbank weliswaar in iets scherperebewoordingen opnieuw benaderd met mijn brief d.d.15 juni 2006, waarvanonderstaand de redactie:

Rechtbank "s Gravenhage
Postbus 20302,
2500EH den Haag
t.a.v. secretariaat Klachtenbureau President.                Wilhelminaoord, 15 juni 2006

Geachte Heer Hofhuis,

Ondanks een aan u toegezonden reminder d.d. 18 mei 2006 mochtondergetekende tot op heden nog steeds geen antwoord ontvangen inzakede door hem aan u geschreven brieven d.d. 7 maart resp. 16 januari 2006.

Laatstgenoemde brief behelsde een reactie op uw brief d.d. 12januari 2006, waarin u ondergetekende uitnodigde te reageren op eendoor hem aan mevrouw den Os d.d. 30 december 2005 geschreven brief, diedoor u blijkens de eerste alinea van uw brief ten onrechte als klachtwerd opgevat.
In zijn brief d.d. 16 januari 2006 heeftondergetekende te uwer kennis gebracht dat dit geenszins de bedoelingwas van de door hem aan mevrouw den Os geschreven brief, doch dat haarleugenachtige verklaring, zoals in uw brief van 12 januari 2006omschreven, voor ondergetekende juist aanleiding was alsnog een klachtin te dienen, om reden zoals in zijn brief van 16 januari 2006 uiteengezet.
In uw brief van 7 februari 2006 geeft u vervolgens aan dathet u niet mogelijk is hierop inhoudelijk en processueel te reageren omreden dat dit niet te rijmen zou zijn met de onafhankelijkheid van derechter.
Dit argument als juist aannemende, doet bij ondergetekendede vraag rijzen, waarom u zich destijds gemengd heeft in dezeonverkwikkelijke affaire.
Hoewel ondergetekende u intelligent genoegacht om uit de inhoud van zijn brieven d.d. 7 maart resp. 18 mei 2006te kunnen distilleren dat de door hem op 7 maart 2006 ingediende klachtjegens mevrouw den Os niets uitstaande heeft met de onafhankelijkheidvan de kantonrechter, doch des te meer met haar leugenachtigeverklaring als zou ondergetekende haar onjuist hebben voorgelicht omalsnog voor een hogere onkostenvergoeding in aanmerking te komen.
Geletop de redactie van de laatste alinea van zijn brief d.d. 18 mei 2006zult u het ondergetekende  dan ook niet euvel duiden dat hij het nietreageren op zijn twee als laatste verzonden brieven hem hoogstonverstandig voorkomt.
Aangezien hij er bovendien voorts nog vanuitgaat dat ook een president van de rechtbank de meest elementaireregels van fatsoen in acht neemt, meent hij thans op korte termijn eenrelevante beantwoording van zijn brieven te mogen verwachten.
        Hoogachtend,

                                                                                                                                     w.g.J.C. de Wilde

Ondanks mijn beroep op de intelligentie en het eergevoel van de president  bleef ook dit maal iedere vorm van reactie uit.
Dit was dan ook voor mij aanleiding  hem per brief van 14 juli 2006  nogmaals aan  de onderhavige affaire te herinneren.
Indeze brief  heb ik ondermeer aangegeven dat ik mij inmiddels volkomenvrij achtte deze aangelegenheid in de openbaarheid te brengen en tevensgewag gemaakt van mijn voornemen de onderhavige zaak ter kennisgevingaan te dragen bij de daarvoor in aanmerking komende instanties
.
Deze brief heb ik dan ook bexebindigd met de hier onderstaand  zinsnede:

Lang heeft ondergetekende zijn best gedaan om voor u enig respect opte brengen, doch de thans ontstane indruk dat u tracht uit misplaatsteloyaliteit een leugenachtige kantonrechter te sauveren waarbij u zelfsniet schroomt zich quasi onnozel en onbeschoft op te stellen, maakt hethem ten ene male onmogelijk hierin te volharden.

Per kerende post werd hierop gereageerd.
In zijn brief  d.d. 18juli 2006 verwijst de president naar zijn brief van 7 februari, waarinhij mij heeft bericht mijn klacht d.d. 30 december 2005 ongegrond heeftverklaard.
Voorts geeft hij aan dat hij zijn beslissing heeftgebaseerd op het standpunt van de kantonrechter, zoals hij deze heeftweergegeven in zijn brief van 7 februari 2006 t.w.

Het beroep van de heer De Wilde heb ik gegrond verklaard en hijvroeg vervolgens om een reiskostenvergoeding. Die heb ik toegekend. Deheer De Wilde zei ter zitting dat hij niet met het openbaar vervoer vanzijn woonplaats naar Leiden kon komen, gelet op het aanvangstijdstipvan de behandeling van zijn zaak. Ik heb hem gezegd dat hij dan dereiskosten per auto vergoed zou krijgen. Bij het op schrift stellen vande beslissing bleek mij dat de heer De Wilde mij onjuiste informatiehad verstrekt.
U bestrijdt niet dat u ter zitting hebt meegedeeldhetgeen in het citaat  staat weergegeven. De mededeling van uw kant wasvoor de behandelend kantonrechter te zitting aanleiding om toe tezeggen dat de door u gemaakte autokosten zouden worden vergoed Op basisvan informatie die de kantonrechter later onder ogen is gekomen, heeftzij besloten van die toezegging terug te komen. Zoals ik u reeds hebmeegedeeld treed ik niet in de beoordeling van een inhoudelijkebeslissing van een kantonrechter. Om die reden kan ik ook nietbeoordelen of de kantonrechter zich op goede gronden op het standpuntheeft gesteld dat u haar onvolledig hebt gexefnformeerd.. Ik kan mijvoorstellen dat dit onbevredigend voor u is, ik zie echter geenmogelijkheid om u op enige wijze aan uw onvrede tegemoet te komen.
Een kopie van deze brief stuur ik naar de waarnemend sectorvoorzitter kanton en aan de kantonrechter
mr. M.G.L.den Os-Brand.

Hoogachtend,
Namens het bestuur van de rechtbank, 

w.g. H.F.M. Hofhuis
      president

Ondanks dat ik inmiddels een vijftal pogingen gedaan had ombovengenoemde president uit te leggen dat mijn klacht geen betrekkingheeft op de in zijn brief omschreven kwestie rondom de reiskostenvergoeding, doch om het feit dat mevrouw de kantonrechter eenleugenachtige verklaring heeft afgelegd, waardoor ik mij in mijn goedenaam voel aangetast, geeft hij met zijn brief  aan dat hij nog steedsniet heeft begrepen, dan wel niet wil begrijpen, waar de schoen wringt.
Desalnietteminheb ik, hoewel ik wel weet dat men een geit ook niet het Onze Vader kanleren, hetgeen niet op conto van  dit gebed kan worden geschreven, perbrief van 17 augustus 2006  nogmaals de moeite genomen, om demagistraat de kern van de zaak uit te leggen.
Evenals bij mijnvorige brieven het geval was, heb ik teneinde de onderhavige zaak voorhem nog enigszins begrijpbaar te maken de strekking van de inhoud ineen vet lettertype samengevat , ditmaal als volgt:

Ten overvloede wijst ondergetekende er nogmaals op dat zijn klachtgeen betrekking heeft op het onbenul van het O.M.,  noch op hetonprofessioneel optreden van de kantonrechter tijdens eerstgenoemdeMulderzaak , waarbij hij wel tot het inzicht is gekomen dat in ditsoort zaken nu niet bepaald het crxe8me de la crxe8me  van het justitixebleapparaat achter de groene tafel plaats neemt.
U kunt dan ook nalezing van de op deze zaak betrekking hebbende correspondentie nietstaande houden dat u hieromtrent iets gevraagd of verzocht is, laatstaan dat hij u verzocht heeft om u uit te spreken over de inhoudelijkebeslissing van de kantonrechter.
Wel heeft ondergetekende conform de in artikel 3 van de hem toegezonden klachtenregeling per brief
van 16 januari 2006,  een klacht ingediend, zoals in de eerste alinea van genoemde brief  is omschreven.

Blijkbaartot het inzicht gekomen dat men niet tot ten eeuwigen dage de onnozelehals kan blijven uithangen ontving  ik enkele dagen  later een brief van de plv. presidente  d.d. 17 augustus 2006, waarin zij verwees naarde brief
d.d. 18 juli 2006, waarin mr. Hofhuis mij namens het bestuur van de rechtbank zijn visie op de zaak had gegeven.
Bijgevolg zag zij geen aanknopingspunten voor een andere reactie.
Voortsdeelde zij mij nog mee, dat mijn klacht hiermede was afgedaan en dat opverdere brieven van mijn kant niet meer zou worden gereageerd.

Als reactie op deze brief heb ik haar enkele weken later in antwoordop haar briefje nog geantwoord , waarvan onderstaand de redactie:

Rechtbank ‘s Gravenhage,
Postbus 20302
2500 EH  den Haag
t.a.v. mevrouw Adriana C.J. van Dooijeweert            Wilhelminaoord, 13 september 2006

Betreft gebrek aan communicatievermogen
Blijkens ontvangen brief van 17 augustus 2006-

Geachte Mevrouw,

Hoewel u in uw brief van 22 augustus 2006, naar ondergetekende aanneemt, in opdracht van Mr. Hofhuis geschreven, aangeeft dat hetbestuur van de rechtbank zijn visie over deze zaak heeft gegevenwaarmee zijn klacht zou zijn afgedaan, komt het hem, al was het alleenmaar ter wille van de geschiedschrijving  toch nog gewenst voor,niettegenstaande uw mededeling dat niet meer op de betreffende klachtzal worden gereageerd nog enkele kanttekeningen  te plaatsen inzake dewijze waarop uw bestuur heeft gemeend de behandeling van de onderhavigezaak te kunnen afdoen.
Wat ondergetekende ten hoogste verbaasdheeft, is dat de president van uw rechtbank maanden lang de onnozelehals speelt door in de beantwoording van zijn brieven de suggestie tewekken, als zou hij  de klacht van ondergetekende niet hebben begrepen.
Indit verband is het dan ook bepaald lachwekkend van u te vernemen dathet bestuur van uw rechtbank hieromtrent  haar visie heeft bepaald.

Gezien het kwaliteitsaspect, zoals dit uit de nietszeggende brievennaar voren komt, waarbij u in uw laatste brief refereert aan het doorhet bestuur van uw rechtbank gegeven visie, zonder inhoudelijk op  zijnklacht in te gaan, meent ondergetekende dan ook iedere beklaagdesterkte te moeten wensen die aan het oordeel van uw rechtbankonderworpen wordt.

De door u weergegeven conclusie dat zijn klacht thans is afgedaangetuigt dan ook van een niet geringe zelfoverschatting en arrogantie,die gelet op de wijze waarop getracht wordt deze zaak onder het tapijtte vegen hem niet alleen uiterst dom voorkomt, doch ook alsbuitengewoon lafhartig.

Het zou van respect getuigd hebben, indien aan ondergetekende  ineerste aanleg zou zijn  bericht,  dat de president niet in deonderhavige kwestie wilde treden en hem direct naar elders zou hebbenverwezen en wel met een meer voor de hand liggend advies dan waarvan uin uw laatste brief  sprake is.

Indien de president zich tot deze boodschap zou hebben beperkt, danzou hij ondergetekende veel tijd hebben bespaard en zou dit alsnoghebben bijgedragen tot enig respect voor uw organisatie.
Al hoewel dan weer de vraag onbeantwoord zou zijn gebleven waarom de president zich in deze zaak heeft gemengd.
Totslot van de met uw instituut gevoerde correspondentie  wilondergetekende nog even kwijt dat, gelet op uw onwaarachtige opstellingom zich van iedere verdere reactie te onthouden, hem niet onverstandigvoorkomt.
Hopelijk ligt aan uw besluit het inzicht ten grondslagdat u, door uw opstelling in de onderhavige zaak, het niet langerverantwoord acht het aanzien van de gerechtelijke macht nog verder teblameren.

Mocht u zich door dit schrijven beledigd of gekwetst voelen, dan zouondergetekende, al was het alleen maar uit publiciteitsoverwegingen,het op prijs stellen, indien u een procedure tegen hem zou willenaanspannen.

Doch hij vreest dat het ook hier aan de nodige ruggengraat zal ontbreken.

Met vriendelijke groeten

w.g.  J.C. de Wilde

P.S. Begin december 2006  heb ik aande kantonrechter in kwestie bovenstaand verslag toegestuurd, vergezeldvan een briefje, met onderstaande inhoud.
Aangezien ik vanbetrokkene geen enkele reactie mocht ontvangen, ga ik er van uit datzij  zich in de hierboven geschetste voorstelling  van zaken kan vinden.

Mevrouw Mr. M.G.L. den Os-brand
p.a. Rechtbank ‘s Gravenhage,
       Sector kanton, locatie Leiden
       Postbus 1171,
       2301ED Leiden                        Wilhelminaoord, 1 december  2006

Mevrouw,

Bijgesloten doe ik u een essay toekomen, zoals dit een dezer dagen op mijn web-log zal worden geplaatst.

Voorts ligt het in mijn voornemen, hetgeen mij is overkomen in depubliciteit te brengen, ten einde de buitenwereld duidelijk te maken,hoe ons  justitixeble apparaat  is verworden tot een ongecontroleerde enwanpresterende moloch, waaraan u door uw arrogante en leugenachtigeopstelling  mede  hebt bijgedragen.

Aangezien u in deze soap een niet onbelangrijke rol speelt, meen ikcorrect te handelen u bereids van dit voornemen in kennis te stellen.

J.C. de Wilde

8 November 2007
By on 00:08
Het kan nog gekker

In de nacht van 3 op 4 juni 2005 reed ikomstreeks 1.10 uur  van Leiden, langs de Haarlemmertrekvaart, naarNoordwijk.

Wat mij al direct op de snelweg  nabij Oegstgeest opviel, was  dat bij iedere afslag  manschappen van de besneden politie geposteerd waren, die in de stromende regen op hunmotorfietsen  gezeten met een wezenloze blik de duisternis inblikten,allen  met hun aangezicht in de zelfde richting, hetgeen bij mijassociaties opriep van in de wei staand vee, dat bij hevige regenval enwind hetzelfde gedrag te zien geeft.

Even voorbij het punt, waarbij de smalle weg zich splitst  in derichting Voorhout en Noordwijk werd  door mij en mijn echtgenote eendergelijke figuur waargenomen, die blijkbaar in coma geraakt,bewegingloos, op zijn stoomfiets gezeten, tegen een flitspaal aanleunde.
Alsgevolg van  het slechte zicht en het feit dat ik ter plaatse de wegminder goed kende reed ik hier met een snelheid van nog geen 50 km. Bij het naderen van genoemde flitspaal, waarvoor ik middels de in mijnauto gemonteerde Quintezz Radar Alert,  was gewaarschuwd, doorkliefdeeen lichtstraal de intense duisternis.

Om genoemde reden verkeerde ik daarom in de veronderstelling , dat de brave borst door het hemelse vuur was getroffen en hij, terwijl wijonze weg  in de richting Noordwijk  vervolgden, zich onderwijl bij deAllerhoogste verantwoordde omtrent het niet behalen van de door onzeoverheid  in  het prestatiecontract vastgelegde targets.
Datdesalniettemin de waargenomen lichtflits van de flitspaal afkomstigwas, werd  mij eerst duidelijk  toen de postbode een beschikking vanhet Centraal Justitieel Incasso Bureau in mijn brievenbus deponeerde,waaruit eerst bleek voor welk delict ik werd aangesproken.
Gezien dehierboven geschetste omstandigheden heb ik de officier van justitie eenbriefje gestuurd en gevraagd om toezending van de gemaaktefoto-opname,  en het ijkingsrapport van het betreffende werktuig.
Binnenenkele dagen werd mij de gevraagde opname toegestuurd, zijnde eengitzwart vlak, waarop rechts het kentekennummer van de auto zichtbaarwas.  De toezending van het ijkingrapport werd mij blijkens hetbegeleidende briefje geweigerd, omdat de Hoge Raad der Nederlanden ditniet nodig oordeelde.
De verbazing over de inhoud van dit briefjebetrof niet zo zeer het feit dat genoemd college er op voorhand van uitging dat zij  zonder meer te vertrouwen is, doch de mededeling dat menmijn vraag had opgevat als zijnde een   beroep bij de officier vanjustitie, gelet op de bijgevoegde mededeling dat mijn beroep wasafgewezen.

Per kerende post heb ik de wakkere ambtenaar, zijnde de officier vanjustitie, bericht dat ik met mijn verzoek om toezending van degevraagde paperassen geenszins beoogd had een beroep bij hem aan tetekenen.
Wetende dat aan de beslissingen van het justitixeble apparaat, waarbij ondanks  het kwaliteitsniveau van de betreffendefunctionaris een nog hoger onfeilbaarheid wordt toegekend dan bij deRooms Katholieke Kerk aan de uitspraken van de Paus, indien  deze eenbeslissende uitspraak doet  inzake  geloofs- of zedenleer, teken ikhierbij  aan,  dat niemand het mij kan euvel duiden dat ik  aan hetintellect en de betrouwbaarheid van Zijne Heiligheid een hogere waardetoeken dan aan die van de betreffende ambtenaar. Vervolgens heb ik,laatstgenoemde bericht dat ik ter voorkoming van verdererepresaillemaatregelen  de mij afgewongen zekerheidstelling  ad. 30Euro zou overmaken  waarbij ik de mededeling heb toegevoegd  dat ikpersoonlijk naar de terechtzitting zou afreizen, teneinde met eigenogen te kunnen beschouwen wat voor onbenul achter de aanklagerschuilging.
Hierop stuurde hij mij nog een bericht, waaruit bleek dat mijn  beroep bij de kantonrechte  was afgewezenx85


By on 00:04
Beroep bij de kantonrechter

De wet Mulder, waarmee dit soort ongein wordt gefinancierd en alszodanig een vangnet vormt voor diegenen die een juridische opleidingmet enig succes hebben afgerond met als bijkomend voordeel dathierdoor de werkloosheidscijfers binnen deze categorie afgestudeerdenwordt gecamoufleerd,  opent de mogelijkheid om indien een eerderingesteld beroep bij de officier van justitie  is afgewezen,vervolgens een beroep in te stellen bij de kantonrechter.

Het merkwaardige van dit beroep is echter dat dit opnieuw moet worden  gericht aan de officier van justitie.
Voorwaardehierbij is dat men eerst de opgelegde sanctie dient te voldoen,alvorens dit beroep in behandeling wordt genomen. Alzo heb ik op 14 mei2004 andermaal beroep aangetekend.
Aangezien mijn eerste boodschap kennelijk niet was overgekomen, heb ik hierbij een fullcollour  foto-opname op
A4  formaat, waarop de situatie ter plekke  bij regenachtig weer werdgevisualiseerd en mijn auto op exact de zelfde plek was neergezet alsop die bewuste vrijdagmorgen.
Tevens heb ik hierbij een vijftalfoto-opnamen ingesloten van de situatie, zoals ik die in de morgenurenvan 6 mei 2005, rond 7.45 uur aantrof op de Langegracht te Leiden, vlakvoor het politiebureau.
Uit deze opnamen blijkt namelijk datnagenoeg alle surveillance wagens van dit elitecorps aan weerszijdenvan de weg op de verharde middenberm waren geparkeerd, niettegenstaandespeciaal voor het materieel van de politie een parkeerterrein isaangelegd.

Hoewel ik tegelijkertijd bij het instellen van het beroep de mijafgedwongen zekerheidstelling had overgemaakt, bereikte mij na 14 dagenalsnog een betalingsherinnering, waarna mij op17 september 2004 eendagvaarding werd toegestuurd om mij op 29 oktober 2004 te 9.45 uur teverantwoorden voor het door mij gepleegde delict.
Aangezien ikbenieuwd was om te zien welk onbenul achter de aanklager schuil gingheb ik op 18 oktober daaraan voorafgaande van de mij gebodengelegenheid gebruik gemaakt om het betreffende dossier in te zien,  teneinde mij te vergewissen of er in dit dossier al dan niet bewuststukken ontbraken.

7 November 2007
By on 23:56
Het trottoirincident

Vrijdagmorgen 16 januari 2004 teisterde een harde storm (windkracht 9) gepaard met hevige slagregens ons land. Bij het krieken van de dag, het was nog donker, reed ik vanuit de binnenstad van Leiden, op het Schuttersveld, een uitvalsweg in de richting  Oegstgeest, toen mijn auto het liet afweten. Ongelukkigerwijs gebeurde dit op ongeveer 60 meter van een met verkeerslichten beveiligd kruispunt, bijgevolg op een weggedeelte met  daarop aangebrachte sorteerstroken. Daardoor  vormde de auto niet alleen een hinderlijk, doch door het bijzonder slechte weer tevens een gevaarlijk obstakel. Met behulp van andere automobilisten is de auto van het linker weggedeelte naar de zijkant van de weg geduwd op een verharde middenberm, die de begrenzing vormt tussen het fietspad en de rijweg.

Nadat de auto aldaar met knipperlichten aan op het genoemde weggedeelte was neergezet heeft ondergetekende direct zijn garage gebeld en in zijn auto de komst van het garagepersoneel afgewacht. Mede door het aantal bij de garage binnengekomen meldingen van storing kon eerst rond 9.45 uur de storing aan mijn auto worden verholpen.
Tot mijn niet geringe verbazing ontving ik na een zestal weken een beschikking van het C.J.I.B, (centraal justitieel Incasso Bureau) met het verzoek om 45 Euro over te maken naar genoemd instituut om reden dat ik op
16 januari 2004 om 10.22 uur als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijweg had gebruikt, doch mijn auto had laten stilstaan op het trottoir/voetpad.
Hierop heb ik op 31 maart 2004 beroep aangetekend bij de officier van justitie tegen de mij toegezonden beschikking, waarbij ik de ontstane situatie uitvoerig uiteengezet heb. Ook heb ik hierbij melding gemaakt van de barre weersomstandigheden van dat moment;  vervolgens gewezen op het feit, voor zo ver dit nog niet duidelijk was, dat hier sprake was van overmacht en bovendien een verklaring van mijn garage bijgesloten, ten einde het waarheidsgehalte van mijn verhaal te bevestigen. Tevens heb ik mijn verbazing uitgedrukt over het feit dat de koene speurders van de politie Hollands Midden mij als inzittende van de auto geen proces-verbaal hadden uitgereikt, dan wel dit proces-verbaal niet als kennisgeving achter een van de ruitenwissers van mijn auto  hadden gedeponeerd. Hierbij heb ik als mijn veronderstelling uitgesproken dat deze wakkere veldwachters, waarschijnlijk als gevolg van de slechte weersomstandigheden zich niet de moeite hadden getroost zich buitengaats te wagen, doch in hun verwarmde surveillanceauto het proces-verbaal hadden uitgeschreven. Dat de betreffende agenten geen klok konden kijken, gelet op het door hun vermelde tijdstip van de door hun geconstateerde overtreding (10.22 uur) zijnde het tijdstip dat ik mij reeds in Amsterdam bevond, heb ik verzuimd te melden, alhoewel ik gelet op het bevattingsvermogen van de Officier van Justitie betwijfel of dit enig effect zou hebben gesorteerd.

Beslissing van de Officier van Justitie
Bovengenoemde beslissing werd mij op 13 april 2004 toegezonden.
In het betreffende stuk werd mij meegedeeld dat de aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van deze magistraat niet zodanig waren dat de sanctie achterwege had moeten blijven Voorts verwees hij naar artikel 10, eerste lid Reglement verkeersregels en verkeerstekens, waarin is bepaald dat bestuurders van motorrijtuigen verplicht zijn de rijbaan te gebruiken en ieder gebruik van een ander weggedeelte verboden is. Uit de stukken was hem bovendien gebleken, dat het voertuig met vier wielen op het trottoir geparkeerd stond, terwijl toch duidelijk sprake was van een verharde middenberm.

Met dit oordeel wekt deze magistraat de indruk niet van deze wereld te zijn.
Immers geen enkel normaal denkend mens zou in dit soort gevallen  zijn auto hebben laten staan midden op een
druk bereden uitvalsweg en zeer zeker niet onder de geschetste weersomstandigheden waarbij het daglicht nog niet tot volle wasdom was gekomen, met alle rico’s van dien.
Verontrustend is het hierbij te moeten vaststellen dat bij het O.M. lieden werkzaam zijn voor wie wetten, regels en voorschriften belangrijker zijn dan mensen en emoties. Ik wijs er vervolgens op dat destijds als gevolg van dit soort slaafse ambtenarij het grootste deel van onze joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog is afgevoerd.

Voorts werd in antwoord op mijn brief  verwezen naar artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften waarbij een aansprakelijkheid wordt toegekend aan de kentekenhouder in die gevallen waarin de bestuurder niet aanstonds bekend is geworden. Uit  de op deze zaak betrekking hebbende stukken was voorts gebleken dat er in de onderhavige zaak een constatering door de verbalisant had plaatsgevonden op kenteken, derhalve was de bestuurder van het motorvoertuig niet aanstonds bekend geworden, zoals bedoeld in genoemd artikel. Als klap op de vuurpijl  deelde de officier van justitie mij nog mee, dat hij ook artikel 4  van de hierboven
genoemde wet in zijn overwegingen had betrokken, waarin staat omschreven dat indien de kennisgeving van beschikking niet aanstonds kan worden overhandigd de beschikking binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden via de post, naar het adres van de kentekenhouder dient te worden gezonden.
Kennelijk voldaan besluit de officier van justitie zijn verhaal af met de constatering dat in de onderhavige zaak aan deze verplichting is voldaan. Derhalve was hij de mening toegedaan dat in dit geval geen sprake was van  schending van een beginsel van behoorlijk bestuur.

Toegegeven, parate wetskennis kan deze magistraat niet worden ontzegd. Het zou echter van realiteitsbesef getuigd hebben, indien hij in zijn schrijven ook zou hebben gerefereerd aan wetsartikelen die plichtsverzuim van politie-beambten aan de kaak stellen. Edoch, justitixeble aandacht in die richting brengt geen geld in het laatje en heeft dientengevolge blijkbaar  geen prioriteit.


By on 23:51
De kwaliteit van ons rechtssysteem

DE KWALITEIT VAN ONS RECHTSSYSTEEM

In de laatste jaren wordt in steeds toenemende mate kritiek geleverd op de kwaliteit van ons rechtssysteem, waarbij met name deze kritiek zich voornamelijk toespitst op de werkwijze van het  Openbaar Ministerie. Deze tak van dienst valt onder het ministerie van justitie en geeft leiding aan het opsporingsonderzoek van politie en vervolgt de verdachten. Als zodanig spitste de kritiek zich toe op geruchtmakende zaken, zoals de Zaanse Paskamermoord, de Puttense moordzaak, de Schiedamse Parkmoord, de Enschedese vuurwerkramp, de zaak majoor O, de zaak Ine Post, de zaak Dick van Leeuwerden ,om enkele voorbeelden te noemen. Aangezien ik geen jurist ben, laat staan inzage heb gehad in de betreffende dossiers kan en mag ik mij hieromtrent geen oordeel aanmatigen. Wel meen ik uit de verrassende afloop van de hierboven genoemde zaken te mogen  vaststellen dat  de criticasters in deze zaken het gelijk aan hun zijde hadden en bijgevolg  aan ons rechtssysteem het nodige mankeert.
Mijns inziens vindt een en ander zijn oorzaak in het feit dat ons rechtssysteem zich in wezen heeft ontwikkeld tot een staat in de staat en als zodanig een bolwerk vormt waarin tal van figuren, nadat men zich een positie heeft weten te bemachtigen, een ongeremde geldingsdrang  uitoefenen, waarbij men zich blijkbaar tegenover niemand behoeft te verontschuldigen of  te verantwoorden, hetgeen er toe geleid heeft dat  het respect voor en het kwaliteitsaspect van deze organisatie onder druk is komen te staan.
Aangezien in dit verband  doorgaans alleen grote affaires en zaken in de publiciteit worden gebracht , waarbij door toedoen van justitie groot onrecht en ontzaglijk leed aan zogenaamde verdachten wordt toegebracht, waarbij zelfs hele carrixe8res straffeloos worden verwoest, blijven kleine zaken waarin politie justitie een minder frisse rol spelen doorgaans onbelicht.
Zo is ook ondergetekende de laatste jaren een aantal malen met justitie in aanraking geweest.
Aangezien het hierbij zaken betreft waarvan het sop de kool niet waard is, heeft  dit soort zaken voor het O.M. toch  een hoge prioriteit. Immers het vervolgen van het establishment gaat deze bedrijfstak beter af dan het vervolgen van het canaille, omdat de doorsnee burger doorgaans  zonder enig verzet snel de portemonnee trekt om van het gezeur af te zijn, met als gevolg dat  deze bedrijfstak, zonder noemenswaardige inspanning  een interessante bron van inkomsten levert voor onze Rijksoverheid.
Gaat men daarentegen in beroep tegen een ten onrechte opgelegde sanctie, dan kost het de gedaagde onevenredig veel tijd en kosten om zijn gelijk te halen,  dat het doorgaans verstandiger lijkt maar meteen te betalen, met als gevolg dat deze vorm van legale diefstal onze samenleving blijft beheersen.

Zo is het justitixeble apparaat  in de loop van de jaren verworden tot een beerput en een bedreiging voor de samenleving, zonder dat de politiek de bereidheid vertoont deze categorie ambtenaren in het gareel te brengen.

De verklaring voor dit falende beleid vindt wellicht zijn oorzaak in het feit dat men, indien men wel tot passende maatregelen zou zijn  overgaan, meteen de kip, die de gouden eieren produceert zou  hebben geslacht, hetgeen natuurlijk geen lucratieve bezigheid is.  En  zegt u zelf, dit kan toch niet de bedoeling zijn ?
Duidelijk is wel, dat ons politieke systeem aan elkaar hangt van handjeklap en nepotisme, met als gevolg dat heel veel onder het tapijt wordt geveegd. De parlementaire enquxeate inzake de bouwfraude is hiervan een sprekend voorbeeld. Bijna dagelijks worden wij geconfronteerd met onoorbare uitwassen van de overheid, waarbij ons justitixeble apparaat wel de kroon spant.

Heeft men wel de euvele moed om hiertegen in het geweer te komen, dan levert het, naast veel tijd en kosten, weliswaar geen succes op,  maar leidt dit wel,  indien men zich althans niet laat overrulen , tot  verbazingwekkende en hilarische situaties.
Zo geeft onderstaand essay het beeld te zien van een plichtverzakende  veldwachter, een  meer dan onnozele officier van justitie, een onbetrouwbare en leugenachtige kantonrechter en een president van de Rechtbank,
die zijn vermeend prestige en gezag opzij zet, door zich als een idioot op te stellen, teneinde zijn collega te sauveren.
Uit de in dit essay  weergegeven citaten en brieven, die hier en daar  onorthodoxe toonzetting vertonen ,mag niet worden afgeleid dat het ondergetekende ontbreekt aan respect voor de rechterlijke macht.
Op grond van zijn eerdere ervaringen is hij helaas  tot de slotsom gekomen dat een dergelijke vorm van communicatie zinvol is om betrokkenen wakker te schudden  en een reactie uit te lokken.

HET TROTTOIRINCIDENT

Vrijdagmorgen 16 januari 2004 teisterde een harde storm (windkracht 9) gepaard met hevige slagregens ons land. Bij het krieken van de dag, het was nog donker, reed ik vanuit de binnenstad van Leiden, op het Schuttersveld, een uitvalsweg in de richting  Oegstgeest, toen mijn auto het liet afweten. Ongelukkigerwijs gebeurde dit op ongeveer 60 meter van een met verkeerslichten beveiligd kruispunt, bijgevolg op een weggedeelte met  daarop aangebrachte sorteerstroken. Daardoor  vormde de auto niet alleen een hinderlijk, doch door het bijzonder slechte weer tevens een gevaarlijk obstakel. Met behulp van andere automobilisten is de auto van het linker weggedeelte naar de zijkant van de weg geduwd op een verharde middenberm, die de begrenzing vormt tussen het fietspad en de rijweg.
Nadat de auto aldaar met knipperlichten aan op het genoemde weggedeelte was neergezet heeft ondergetekende direct zijn garage gebeld en in zijn auto de komst van het garagepersoneel afgewacht. Mede door het aantal bij de garage binnengekomen meldingen van storing kon eerst rond 9.45 uur de storing aan mijn auto worden verholpen.
Tot mijn niet geringe verbazing ontving ik na een zestal weken een beschikking van het C.J.I.B, (centraal justitieel Incasso Bureau) met het verzoek om 45 Euro over te maken naar genoemd instituut om reden dat ik op
16 januari 2004 om 10.22 uur als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijweg had gebruikt, doch mijn auto had laten stilstaan op het trottoir/voetpad.
Hierop heb ik op 31 maart 2004 beroep aangetekend bij de officier van justitie tegen de mij toegezonden beschikking, waarbij ik de ontstane situatie uitvoerig uiteengezet heb. Ook heb ik hierbij melding gemaakt van de barre weersomstandigheden van dat moment;  vervolgens gewezen op het feit, voor zo ver dit nog niet duidelijk was, dat hier sprake was van overmacht en bovendien een verklaring van mijn garage bijgesloten, ten einde het waarheidsgehalte van mijn verhaal te bevestigen. Tevens heb ik mijn verbazing uitgedrukt over het feit dat de koene speurders van de politie Hollands Midden mij als inzittende van de auto geen proces-verbaal hadden uitgereikt, dan wel dit proces-verbaal niet als kennisgeving achter een van de ruitenwissers van mijn auto  hadden gedeponeerd. Hierbij heb ik als mijn veronderstelling uitgesproken dat deze wakkere veldwachters, waarschijnlijk als gevolg van de slechte weersomstandigheden zich niet de moeite hadden getroost zich buitengaats te wagen, doch in hun verwarmde surveillanceauto het proces-verbaal hadden uitgeschreven. Dat de betreffende agenten geen klok konden kijken, gelet op het door hun vermelde tijdstip van de door hun geconstateerde overtreding (10.22 uur) zijnde het tijdstip dat ik mij reeds in Amsterdam bevond, heb ik verzuimd te melden, alhoewel ik gelet op het bevattingsvermogen van de Officier van Justitie betwijfel of dit enig effect zou hebben gesorteerd.

Beslissing van de Officier van Justitie
Bovengenoemde beslissing werd mij op 13 april 2004 toegezonden.
In het betreffende stuk werd mij meegedeeld dat de aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van deze magistraat niet zodanig waren dat de sanctie achterwege had moeten blijven Voorts verwees hij naar artikel 10, eerste lid Reglement verkeersregels en verkeerstekens, waarin is bepaald dat bestuurders van motorrijtuigen verplicht zijn de rijbaan te gebruiken en ieder gebruik van een ander weggedeelte verboden is. Uit de stukken was hem bovendien gebleken, dat het voertuig met vier wielen op het trottoir geparkeerd stond, terwijl toch duidelijk sprake was van een verharde middenberm.

Met dit oordeel wekt deze magistraat de indruk niet van deze wereld te zijn.
Immers geen enkel normaal denkend mens zou in dit soort gevallen  zijn auto hebben laten staan midden op een
druk bereden uitvalsweg en zeer zeker niet onder de geschetste weersomstandigheden waarbij het daglicht nog niet tot volle wasdom was gekomen, met alle rico’s van dien.
Verontrustend is het hierbij te moeten vaststellen dat bij het O.M. lieden werkzaam zijn voor wie wetten, regels en voorschriften belangrijker zijn dan mensen en emoties. Ik wijs er vervolgens op dat destijds als gevolg van dit soort slaafse ambtenarij het grootste deel van onze joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog is afgevoerd.

Voorts werd in antwoord op mijn brief  verwezen naar artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften waarbij een aansprakelijkheid wordt toegekend aan de kentekenhouder in die gevallen waarin de bestuurder niet aanstonds bekend is geworden. Uit  de op deze zaak betrekking hebbende stukken was voorts gebleken dat er in de onderhavige zaak een constatering door de verbalisant had plaatsgevonden op kenteken, derhalve was de bestuurder van het motorvoertuig niet aanstonds bekend geworden, zoals bedoeld in genoemd artikel. Als klap op de vuurpijl  deelde de officier van justitie mij nog mee, dat hij ook artikel 4  van de hierboven
genoemde wet in zijn overwegingen had betrokken, waarin staat omschreven dat indien de kennisgeving van beschikking niet aanstonds kan worden overhandigd de beschikking binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden via de post, naar het adres van de kentekenhouder dient te worden gezonden.
Kennelijk voldaan besluit de officier van justitie zijn verhaal af met de constatering dat in de onderhavige zaak aan deze verplichting is voldaan. Derhalve was hij de mening toegedaan dat in dit geval geen sprake was van  schending van een beginsel van behoorlijk bestuur.

Toegegeven, parate wetskennis kan deze magistraat niet worden ontzegd. Het zou echter van realiteitsbesef getuigd hebben, indien hij in zijn schrijven ook zou hebben gerefereerd aan wetsartikelen die plichtsverzuim van politie-beambten aan de kaak stellen. Edoch, justitixeble aandacht in die richting brengt geen geld in het laatje en heeft dientengevolge blijkbaar  geen prioriteit.

BEROEP BIJ DE KANTONRECHTER 

De wet Mulder, waarmee dit soort ongein wordt gefinancierd en als zodanig een vangnet vormt voor diegenen die een juridische opleiding met enig succes hebben afgerond  met als bijkomend voordeel dat hierdoor de werkloosheidscijfers binnen deze categorie afgestudeerden wordt gecamoufleerd,   opent de mogelijkheid om  indien een eerder ingesteld  beroep bij de officier van justitie  is afgewezen, vervolgens een beroep in te stellen bij de kantonrechter.
Het merkwaardige van dit beroep is echter dat dit opnieuw moet worden  gericht aan de officier van justitie.
Voorwaarde hierbij is dat men eerst de opgelegde sanctie dient te voldoen, alvorens dit beroep in behandeling wordt genomen. Alzo heb ik op 14 mei 2004 andermaal beroep aangetekend.
Aangezien mijn eerste boodschap kennelijk niet was overgekomen, heb ik hierbij een fullcollour  foto-opname op
A 4  formaat, waarop de situatie ter plekke  bij regenachtig weer werd gevisualiseerd en mijn auto op exact de zelfde plek was neergezet als op die bewuste vrijdagmorgen.
Tevens heb ik hierbij een vijftal foto-opnamen ingesloten van de situatie, zoals ik die in de morgenuren van 6 mei 2005, rond 7.45 uur aantrof op de Langegracht te Leiden, vlak voor het politiebureau.
Uit deze opnamen blijkt namelijk dat nagenoeg alle surveillance wagens van dit elitecorps aan weerszijden van de weg op de verharde middenberm waren geparkeerd, niettegenstaande speciaal voor het materieel van de politie een parkeerterrein is aangelegd.

Hoewel ik tegelijkertijd bij het instellen van het beroep de mij afgedwongen zekerheidstelling had overgemaakt, bereikte mij na 14 dagen alsnog een betalingsherinnering, waarna mij op17 september 2004 een dagvaarding werd toegestuurd om mij op 29 oktober 2004 te 9.45 uur te verantwoorden voor het door mij gepleegde delict.
Aangezien ik benieuwd was om te zien welk onbenul achter de aanklager schuil ging heb ik op 18 oktober daaraan voorafgaande van de mij geboden gelegenheid gebruik gemaakt om het betreffende dossier in te zien,  ten einde mij te vergewissen of er in dit dossier al dan niet bewust stukken ontbraken.

DE TERECHTZITTING  (ktg nr. 431777/04.268)

De onderhavige zaak werd behandeld ter openbare terechtzitting  door mevrouw Mr. M.G.L. den Os-Brand, kantonrechter, mevrouw Mr. M. Pera, griffier en mevrouw L. Sitee als vertegenwoordiger van de officier van justitie. Laatstgenoemde, die blijkbaar haar debuut maakte en als zodanig wilde scoren, zette in met een tamelijk fors requisitoir. Zij schetste uitvoerig de hinder die voetgangers ondervonden als gevolg van op het trottoir geparkeerde auto’s  Zij achtte wettig en overtuigend bewezen dat ik mijn auto op een trottoir had geplaatst  etc.etc.
Hierbij heb ik getracht de jongedame duidelijk te maken dat in dit geval geen sprake was van een trottoir en haar vervolgens onder ogen gebracht dat, indien zij enige aandacht zou hebben besteed aan het verweer van ondergetekende zij niet het justitixeble apparaat doch ook ondergetekende veel tijd en ergernis zou hebben bespaard en dat ik dan niet mijn tijd had behoeven te verdoen aan het reageren op deze ongein, die er alleen maar opgericht is om de burger nog meer geld uit de zak te kloppen. Toen mij bleek dat zij ondanks mijn betoog bleef  volhouden dat het gewraakte weggedeelte een trottoir was, heb ik  vervolgens, tot  zichtbare ergernis van de kantonrechter een college ten beste gegeven aan de hand van een rapport van het C.R.O.W. ( het kennis platform infrastructuur verkeer, vervoer en openbare ruimte)  met het oogmerk om haar het verschil duidelijk te maken tussen een trottoir en een verharde middenberm.
Toen mij uiteindelijk  duidelijk werd dat zij het blijkbaar nog niet had begrepen en de kantonrechter de indruk wekte het eens te zijn met haar onzinnige betoog, heb ik mij niet te beroerd  gevoeld om het  beide dames nogmaals uit te leggen.
De inmiddels rood aangelopen kantonrechter beet mij uiteindelijk   toe "zo is het wel genoeg meneer de Wilde; ik spreek u vrij"  Mevrouw de kantonrechter  wekte vervolgens de indruk zich te willen voorbereidend op een volgende transactie. Echter voor mij was deze zaak nog niet afgerond  en bracht ik een uitspraak van de Hoge Raad
d.d. 17 oktober 2000 VR. 2051 onder haar aandacht.
Op grond van deze uitspraak heeft bij de toepassing van artikel 13a Wahv als uitgangspunt te gelden dat bij de gegrondverklaring van het beroep bij de kantonrechter een kostenvergoeding volgt, ook al is daartoe door de betrokkene niet een uitdrukkelijk verzoek gedaan.
Vervolgens  heb ik haar mijn kostendeclaratie overhandigd waarop ik mijn verletkosten op basis van 4 uur  xe0 60 euro had vermeld als ook de vergoeding van mijn reiskosten op basis van de treinkosten ad 35.60 Euro met als alternatief de door mij daadwerkelijk gemaakte autokosten zijnde 330 km xe0 0,28 Euro, zijnde 92.40 Euro.
Aangezien het mij bekend is dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de reiskosten in beginsel worden vergoed op basis van 2de klasse openbaar vervoer heb ik op dit formulier eveneens de vertrektijden van de autobus naar Steenwijk  (6.27 uur) en de vertrektijd  van de trein (7.14 uur) en  de aankomsttijd van de trein te Leiden aangegeven, zijnde 9.25 uur.  Vervolgens heb ik aangegeven dat gebruik van het openbaar vervoer zou hebben betekend dat ik ‘s morgens rond 6 uur mijn woonhuis had moeten verlaten en in alle vroegte langs onverlichte wegen naar een bushalte had moeten lopen, een afstand van ongeveer 1 km. De door mij aangegeven busverbinding, vertrek 6.27 uur van de Westvierdeparten  zou betekend hebben dat ik, ijs en weder dienende om 7.07 uur bij het station te Steenwijk zou zijn aangekomen. Gelet op het feit dat dit station een onbemand station is, zou dit hebben betekend dat ik gezien de loopafstand van het busstation naar het perron, mij  slechts enkele minuten  zouden resten om een kaartje uit de automaat te kopen, een handeling, die mij volkomen vreemd is en bijgevolg in alle redelijkheid meer tijd in beslag zou hebben genomen met de kans dat ik daardoor de trein zou hebben gemist.
Voorts moet bij de door mij opgegeven aankomst van de trein te Leiden in ogenschouw worden genomen dat door mij tweemaal zou moeten worden overgestapt, zowel te Zwolle als op het station Schiphol, hetgeen een niet te verwaarlozen vertragingsrisico zou hebben betekend.
Voorts zou de terugreis per openbaar vervoer hebben betekend dat ik op zijn vroegst rond 2.30 uur van mijn expeditie zou zijn teruggekeerd.

Later is mij gebleken dat de aankomsttijd van de trein in Leiden volgens de dienstregeling  9.32 uur was, in plaats van 9.25 uur, hetgeen ik mevrouw in mijn brief van 13 december 2004 alsnog onder ogen heb gebracht. Bovendien is mij in een nog later stadium ter ore gekomen dat in de betreffende week deze vroege busrit niet werd uitgevoerd, vanwege de herfstvakantie, hetgeen ik in mijn brief van 7 maart 2006 ter kennis heb gebracht aan de president van de rechtbank te ‘s Gravenhage.

Aangezien mevrouw de door mij gedeclareerde verletkosten nogal hoog vond, heb ik er in toegestemd deze kosten te laten vervallen, aangezien de verloren tijd ‘s anderdaags kon worden ingehaald omdat het freelance werk betrof, dat  door mij verricht werd in opdracht van het marketing/reclamebureau  waarvan ik  tot voor kort nog directeur/eigenaar was.
Uitdrukkelijk is mij hierop door mevrouw de kantonrechter  toegezegd dat in ieder geval mijn autokosten zouden worden vergoed.
Teneinde hierover geen misverstand te laten bestaan is het bedrag van 92.40 Euro uitdrukkelijk door beide partijen genoemd.

Een onbetrouwbare Kantonrechter

Enkele weken later bereikte mij het proces-verbaal van bovengenoemde terechtzitting.
Tot mijn niet geringe verbazing werd mij hierin bericht dat de door mij ingediende onkostenvergoeding in sterke mate afweek van hetgeen ik met mevrouw was overeengekomen.
De door mij ingediende reiskosten achtte mevrouw redelijk, met dien verstande dat alleen de reiskosten per trein ad. 35.60 Euro voor vergoeding in aanmerking kwamen.
Mevrouw motiveerde haar beslissing  op basis van het feit dat het vanaf het station te Leiden naar het kantongerecht niet meer dan 10 minuten lopen was. De verletkosten wees zij vervolgens af,  omdat ik deze  onvoldoende aannemelijk had  gemaakt. Blijkbaar was het mevrouw ontgaan dat ik ten aanzien  van beide posten  een geheel andere afspraak had gemaakt.

Uiteraard heb ik per omgaand  schriftelijk gereclameerd  tegen genoemde beslissing, (de betreffende brief  is verloren gegaan) waarbij ik mevrouw heb  herinnerd aan de met haar gemaakte afspraak.
Ik heb voorts in deze brief , naar ik mij herinner gewag gemaakt van het feit dat ik van een kantonrechter betrouwbaarheid , onkreukbaarheid en integriteit meen te mogen verwachten en dat het alleen al om die reden  haar niet past  uit rancune of anderszins op haar beslissing terug te komen

Een leugenachtige kantonrechter

Een reactie op deze brief ontving ik per brief van 27 december 2004,  waarin de griffier van de rechtbank mij berichtte dat mevrouw de kantonrechter de door mij verzochte onkostenvergoeding ter kennisgeving had aangenomen. Na de terechtzitting had zij een en ander nagekeken, waarbij haar was gebleken dat ik wel degelijk van het openbaar vervoer gebruik had kunnen maken, waarna zij beslist had zoals in het proces-verbaal  was weergegeven.

Het is aantoonbaar duidelijk dat mevrouw de kantonrechter ronduit liegt.
Immers op het aan haar tijdens de gerechtzitting overhandigde declaratieformulier stond duidelijk als aankomsttijd van de trein te Leiden 9.25 uur aangegeven. Zoals eerder aangegeven heeft zij haar oorspronkelijke bewilliging gebaseerd op de door mij gegeven toelichting, waarbij ik haar duidelijk heb gemaakt dat reizen per openbaar vervoer geen optie was gelet op de door mij aangevoerde argumenten, zoals hierboven omschreven.

Bovendien lijkt het  mij onwaarschijnlijk  dat mevrouw daadwerkelijk een en ander heeft nagekeken.
Immers uit het door mij opgegeven tijdstip van 9.25 uur zou haar meteen duidelijk zijn geworden dat, indien de loopafstand van het station naar het gerechtsgebouw  daadwerkelijk in 10 minuten kan worden afgelegd, zoals beweert, mij hierop direct had kunnen wijzen. 

Dat mevrouw  het tijdsverschil van 9.45 uur (aanvang van de terechtzitting) en 9.25 uur (aankomsttijd van de trein) heeft kunnen vaststellen via de reiswijzer is op zich al opmerkelijk.

Echter indien mevrouw daadwerkelijk de reisplanner zou hebben geraadpleegd, dan zou het haar  direct zijn opgevallen , dat de trein  volgens de dienstregeling om 9.32 uur aankwam en niet om 9.25 uur en dat de eerste busverbinding van Westvierdeparten naar Steenwijk in de betreffende week niet werd uitgevoerd.

In antwoord op bovengenoemde brief heb ik op 30 december 2004 mevrouw nogmaals geschreven en voor alle duidelijkheid  nogmaals mijn zienswijze belicht. Ik heb daarbij voorts nog gesteld dat  mevrouw bij haar genomen beslissing  inzake de reiskostenvergoeding  mij ook de buskosten van Westvierdeparten naar Steenwijk had behoren te vergoeden.  Deze brief, blijkens het daarop geplaatste stempel d.d. 31 december 2004 bij de griffier binnengekomen,  werd per kerende post geretourneerd vergezeld van een kort briefje, waarin mij werd bericht dat de kantonrechter bij haar beslissing bleef en dat verdere correspondentie van mijn zijde betreffende de onderhavige zaak ter kennisgeving zou worden aangenomen.

Op 26 januari 2005  heb ik mevrouw de kantonrechter,  geschreven dat ik haar handelswijze als zeer onbeschoft had ervaren, waarbij ik tevens onder de aandacht heb gebracht dat ik tot op dat moment  het mij toegewezen gedeelte van de reissom nog steeds niet had ontvangen.
Per kerende post  werd door mevrouw zelve gereageerd.

Zij berichtte mij dat het haar speet dat ik het retourneren van mijn brief van 30 december 2004 als onfatsoenlijk had ervaren. ( Dat mevrouw eerst door mijn reactie tot dat inzicht was gekomen  doet mij veronderstellen  dat bij haar opvoeding en latere maatschappelijke vorming nimmer of geen aandacht is besteed aan dit aspect van fatsoen.)

Voorts verwees zij in haar brief naar het eerder genoemd begeleidend briefje van 3 januari 2005, waarin zij mij via de griffier had laten weten dat zij bij haar beslissing bleef en dientengevolge niet bereid was mij alsnog de buskosten te vergoeden. Voor wat betreft de mij toegewezen reiskosten  verwees zij naar de Staat der Nederlanden; Afdeling Financiele en Economische zaken van de Rechtbank te ‘s Gravenhage, die verantwoordelijk was voor verdere afwikkeling. Naar zij mij voorts nog berichtte, had de griffier nog diezelfde dag  telefonisch gexefnformeerd bij genoemd instituut.  Op grond van die mededeling kon zij mij verzekeren dat dit bedrag zo spoedig mogelijk zou worden overgemaakt.

Aangezien in het hierboven genoemde briefje   de argumentatie van mevrouw de kantonrechter ontbrak en het mij niet duidelijk was waarom mij op grond van bestaande regels  een volledige reiskostenvergoeding werd onthouden, heb ik haar alsnog verzocht mij hiervan mededeling te willen doen
In dit briefje heb ik nogmaals aangegeven dat ik van een kantonrechter onkreukbaarheid en integriteit verwacht en dat het naar mijn optiek niet zo kan zijn dat ik voor de tweede maal de dupe zou worden van haar nukken en grillen.
Als antwoord hierop ontving ik per kerende post een briefje retour, met de mededeling  dat ook deze brief aan het dossier zou worden toegevoegd.

Aangezien iedere vorm van betaling uitbleef, heb ik mevrouw de kantonrechter op 16 maart 2005  verzocht  om een executoire verklaring op het proces-verbaal  d.d. 29 oktober 2004

Aangezien iedere vorm van actie uitbleef , heb ik  op 4 april 2005 nogmaals om deze verklaring verzocht.
Ik heb hierbij gesteld dat ik deze verklaring nodig had om mijn vordering ter incasso over te dragen.
Deze brief heb ik afgesloten met de navolgende redactie:

Gelet uw ongenuanceerde reacties op de door mij aan u geschreven brieven, waarvan de toonzetting van laatstgenoemde brieven weliswaar scherp doch niet incorrect is, wettigt dit de veronderstelling dat aan het niet inwilligen van dit verzoek een zekere onwil ten grondslag ligt, hetgeen dan ook de reden is dat ik u thans sommeer per omgaande de gevraagde verklaring toe te sturen, bij gebreke hiervan ik mij tot de Raad van de Rechtspraak, als ook tot het ministerie van Justitie zal wenden, waarbij tevens de vraag zal worden voorgelegd of het voordragen van personen met een dusdanig lichtgeraakte karakterstructuur, waarvan u en uw kompaan hebben blijk gegeven leiden tot een verhoogd aanzien van ons rechtssysteem.

Enkele dagen later werd het mij toegewezen bedrag ad. 35.40 Euro alsnog op de rekening van mijn marketing- en reclamebureau bijgeschreven.

HET KAN NOG GEKKER

Enkele weken later, in de nacht van 3 op 4 juni 2005 reed ik omstreeks 1.10 uur  van Leiden, langs de Haarlemmertrekvaart, naar Noordwijk.
Wat mij al direct op de snelweg  nabij Oegstgeest  opviel, was  dat bij iedere afslag  manschappen van de besneden   politie geposteerd waren, die in de stromende regen op hun motorfietsen  gezeten met een wezenloze blik de duisternis inblikten, allen  met hun aangezicht in de zelfde richting, hetgeen bij mij associaties opriep van in de wei staand vee, dat bij hevige regenval en wind hetzelfde gedrag te zien geeft.

Even voorbij het punt, waarbij de smalle weg zich splitst  in de richting Voorhout en Noordwijk werd  door mij en mijn echtgenote een dergelijke figuur waargenomen, die blijkbaar in coma geraakt, bewegingloos, op zijn stoomfiets gezeten, tegen een flitspaal aanleunde.
Als gevolg van  het slechte zicht en het feit dat ik ter plaatse de weg minder goed kende reed ik hier met een snelheid van nog geen 50 km.  Bij het naderen van genoemde flitspaal, waarvoor ik middels de in mijn auto gemonteerde Quintezz Radar Alert,  was gewaarschuwd, doorkliefde een lichtstraal de intense duisternis.

Om genoemde reden verkeerde ik daarom in de veronderstelling , dat  de brave borst door het hemelse vuur was getroffen en hij, terwijl wij onze weg  in de richting Noordwijk  vervolgden, zich onderwijl bij de Allerhoogste verantwoordde omtrent het niet behalen van de door onze overheid  in  het prestatiecontract vastgelegde targets.
Dat desalniettemin de waargenomen lichtflits van de flitspaal afkomstig was, werd  mij eerst duidelijk  toen de postbode een beschikking van het Centraal Justitieel Incasso Bureau in mijn brievenbus deponeerde, waaruit eerst bleek voor welk delict ik werd aangesproken.
Gezien de hierboven geschetste omstandigheden heb ik de officier van justitie een briefje gestuurd en gevraagd om toezending van de gemaakte foto-opname,  en het ijkingsrapport van het betreffende werktuig.
Binnen enkele dagen werd mij de gevraagde opname toegestuurd, zijnde een gitzwart vlak, waarop rechts het kentekennummer van de auto zichtbaar was.  De toezending van het ijkingrapport werd mij blijkens het begeleidende briefje geweigerd, omdat de Hoge Raad der Nederlanden dit niet nodig oordeelde.
De verbazing over de inhoud van dit briefje betrof niet zo zeer het feit dat genoemd college er op voorhand van uit ging dat zij  zonder meer te vertrouwen is, doch de mededeling dat men mijn vraag had opgevat als zijnde een   beroep bij de officier van justitie, gelet op de bijgevoegde mededeling dat mijn beroep was afgewezen.

Per kerende post heb ik de wakkere ambtenaar, zijnde de officier van justitie, bericht dat ik met mijn verzoek om toezending van de gevraagde paperassen geenszins beoogd had een beroep bij hem aan te tekenen.
Wetende dat aan de beslissingen van het justitixeble  apparaat, waarbij ondanks  het kwaliteitsniveau van de betreffende functionaris een nog hoger onfeilbaarheid wordt toegekend dan bij de Rooms Katholieke Kerk aan de uitspraken van de Paus, indien  deze een beslissende uitspraak doet  inzake  geloofs- of zedenleer, teken ik hierbij  aan,  dat niemand het mij kan euvel duiden dat ik  aan het intellect en de betrouwbaarheid van Zijne Heiligheid een hogere waarde toeken dan aan die van de betreffende ambtenaar. Vervolgens heb ik, laatstgenoemde bericht dat ik ter voorkoming van verdere represaillemaatregelen  de mij afgewongen zekerheidstelling  ad. 30 Euro zou overmaken  waarbij ik de mededeling heb toegevoegd  dat ik persoonlijk naar de terechtzitting zou afreizen, teneinde met eigen ogen te kunnen beschouwen wat voor onbenul achter de aanklager schuilging.
Hierop stuurde hij mij nog een bericht, waaruit bleek dat mijn  beroep bij de kantonrechte  was afgewezenx85

DE TERECHTZITTING  (ktg nr526548)

In mijn hoog gespannen verwachtingen werd ik deze keer wederom niet teleurgesteld.
Bij het betreden van het zaaltje waarin de terechtzitting plaats vond ontwaarde ik achter de groene tafel de forse  gestalte van Mevrouw den Os-Brand, waarmee, (zoals de oplettende lezer van dit essay zich  zal herinneren) ik reeds eerder kennis had gemaakt.
Als officier van justitie fungeerde kennelijk ook dit maal een stagiaire, die gezien zijn verbale kwaliteiten nog mijlen ver van Cicero afstond, met als gevolg dat  alle zaken, die aan de mijne voorafgingen tot vrijspraak leidden.
Toen mijn zaak aan de orde kwam en de bode het betreffende dossier aan de kantonrechter voorlegde, ontstond achter de groene tafel kennelijk enige verwarring. Tot mijn niet geringe verbazing pakte de kantonrechter de telefoon (op afstand te zien een ouderwets bakeliet toestel, waarmee  in de vijftiger jaren van de vorige eeuw  de communicatie vanuit mijn ouderlijk huis naar de buitenwereld werd onderhouden) en voerde hierop een telefoongesprek.
Hierop schreed zij het zaal uit, waarbij zij mij bij het passeren (ik had op de achterste rij van de stoeltjes plaats genomen) toebeet dat een andere kantonrechter mijn zaak in behandeling zou nemen.
Vervolgens nam een andere kantonrechter de zaak over en vroeg mij, enigszins geamuseerd, zonder tussenkomst van de officier van justitie naar mijn bezwaren tegen genoemde beschikking.
Hierop heb ik te kennen gegeven dat in deze de rechtsgang niet was gevolgd, doordat mij de mogelijkheid van beroep  was onthouden. De kantonrechter wierp vervolgens een blik op de door mij geschreven brieven, waarbij hij stelde dat de officier van justitie bij het doorlezen van de bezwaarschriften veelal werd geconfronteerd met onduidelijk geformuleerde brieven op basis waarvan dan besloten werd het verweer ongegrond te verklaren.
Mijn reactie hierop dat mijn brieven toch aan duidelijkheid niets te wensen overlieten beaamde hij, waarbij hij opmerkte  dat de inhoud van mijn brieven weliswaar volkomen duidelijk was, doch niet altijd even tactisch.
Zo stelde hij, tot hilariteit van de aanwezigen,  dat indien iemand schreef dat de officier een stuk onbenul was, men niet op enige tegemoetkoming zou kunnen rekenen.

Weliswaar is deze conclusie terecht, doch dit neemt niet weg dat door de stupiditeit van de officier van Justitie de rechtsgang niet gevolgd is, doordat mij de mogelijkheid van beroep, zoals de Wet Mulder voorschrijft is ontnomen.

Voorts wees  de kantonrechter mij op de betrouwbaarheidsgraad van het betreffende straatmeubilair  als ook op de wet die voor wat de strafbepaling  betreft  geen enkele ruimte openliet voor de minst denkbare overschrijding van de maximum snelheid. Voorts deelde hij mij mede dat de situatie ter plaatse hem bekend, waarbij hij voorts vermeldde dat hij ook zelf eens door deze camera op de gevoelig plaats was vastgelegd
Ergo kon hij aan de mij opgelegde boete niets veranderen.
De rol van de officier van justitie moet ik hierbij onbelicht laten, aangezien hij zich  gedurende de gehele rechtsgang in een angstig stilzwijgen hulde. Zelfs een vriendelijk knikje mijnentwege in zijn richting, bij het verlaten  van het podium bleef onbeantwoord.

Aangezien het mij toegezonden proces-verbaal niets vermeldde omtrent de beweegredenen van  mevrouw den Os om de onderhavige zaak niet in behandeling te nemen heb ik mij de vrijheid gepermitteerd om  middels een ludiek briefje haar  hiernaar te vragen.

Onderstaand  de redactie van genoemd briefje:

Rechtbank ‘s Gravenhage,
Sector kanton, locatie Leiden
Postbus 1171
2301 ED Leiden.
T.a.v. Mw. Mr. M.G.L. den Os-Brand
Ktg nr. 526548                                            30 december 2005,

Mevrouw, 

Ondergetekende diende zich op 18 oktober 2005, blijkens een ontvangen dagvaarding te verantwoorden inzake een door hem gepleegde snelheidsovertreding van maar liefst vier kilometer per uur, dus minder dan de loopsnelheid van een wandelaar.
Ieder weldenkend mens zal het met ondergetekende eens zijn  dat deze tenlastelegging niets uitstaande heeft met verkeershandhaving, maar dat het hier puur gaat om het uitmelken van de automobilist.

Wat hem op die dag hogelijk verbaasd heeft is dat u als fungerend kantonrechter deze zaak kennelijk niet in behandeling wenste te nemen en ondergetekende bij het verlaten van de zaal toebeet dat een andere rechter de honneurs voor wat betreft zijn zaak zou waarnemen.

Dit leidde vervolgens tot grote hilariteit van de overige aanwezigen verdachten in de zaal tot een kleedpartij achter de coulissen, hetgeen bij ondergetekende associaties opriep van een amateur toneel gezelschap in een of ander patronaatsgebouw.
Dit beeld werd nog versterkt toen na enkele luttele minuten de deur weer eensklaps geopend werd en de heer van Leeuwen in een kennelijk te korte toga ten tonele verscheen.
U zult het ondergetekende  dan ook niet euvel duiden dat een dergelijk potsierlijk optreden, mede gelet op de ernst van de onderhavige zaak niet bepaald bijdraagt tot het respect en aanzien van de rechtspraak.

Aangezien het proces-verbaal van deze terechtzitting omtrent de reden van deze wonderlijke manoeuvre geen uitsluitsel biedt, zou ik het op prijs stellen, indien u mij hieromtrent zou willen informeren.

Ondergetekende gaat er hierbij vooralsnog niet van uit dat uw handelswijze iets uitstaande heeft met de terechtzitting van 29 oktober 2004 (ktg nr. 431777/04.268 waarin hij zich moest verantwoorden voor het feit dat hij als gevolg van overmacht, (volgens de tegen hem uitgebrachte dagvaarding), zijn auto had geparkeerd op een trottoir, terwijl het in werkelijkheid een verharde middenberm betrof.

Hoewel hij bij instelling van beroep zowel middels een foto-opname van de betreffende locatie, alsook middels een rapport van het C.R.O.W. (het kennis platform infrastructuur verkeer, vervoer, openbare ruimte) had bijgesloten ten einde het O.M. duidelijk te kunnen maken wat het verschil is tussen een trottoir en een verharde middenberm, was dit blijkbaar onvoldoende om het O.M. van zijn gelijk te overtuigen.

Ondergetekende vraagt zich dan ook af wat het nut is van de procedure, zoals die in de wet Mulder is vastgelegd, anders dan een stel ongemotiveerde ambtenaren op kosten van de automobilist aan het werk te houden om de werkeloosheidscijfers te camoufleren
Aangezien de jonge dame, die blijkens de ontvangen dagvaarding omschreven als vertegenwoordiger van de officier van justitie, ten aanzien van dit punt in haar requisitoir volhardde en u in eerst aanleg de indruk wekte met haar kromme redenering en gebrekkige kennis van zaken mee te gaan, heeft ondergetekende, zoals een kok een smakelijke ossenhaas braadt van een koeienlijk, met succes gehakt gemaakt van de uitgekraamde onzin van de betreffende jongedame.

Gelet op de toonhoogte van de later met u gevoerde correspondentie, een gevolg van het feit dat u in een later stadium weigerde de door ondergetekende gemaakte reiskosten, ondanks oorspronkelijke bewilliging te vergoeden, is zijn verweer bij u blijkbaar niet in goede aarde gevallen.

Immers bij indiening van de gewraakte declaratie waarbij duidelijk werd aangegeven dat het reizen per openbaar vervoer geen optie was, heeft u met de door ondergetekende  gemaakte autokosten ingestemd op voorwaarde dat hij de gederfde arbeidsuren niet in rekening zou brengen.

Blijkbaar heeft de aan u gerichte brief d.d. 30 december 2004, hoewel scherp doch correct van toonzetting, uw egootje dusdanig geraakt, dat u in weerwil van de meest elementaire vormen van fatsoen genoemde brief heeft geretourneerd, zonder inhoudelijk hierop te hebben gereageerd.

Ondergetekende meent zijn reactie op een dergelijk onbeschoft optreden met zijn aangetekend schrijven
d.d. 26 januari 2005 voldoende aan u te hebben duidelijk gemaakt.

Wat hij zich thans wel afvraagt is of uw vreemde reactie van 18 oktober 2005 nog een gevolg is van uw kennelijke frustraties, rondom deze affaire.

Indien ondergetekende voor uw merkwaardig optreden een verklaring onthouden wordt, ziet hij dit als een bevestiging van zijn opvatting dat een rechter met een dusdanig wraakzuchtige karakterstructuur het juiste profiel mist om als zodanig te functioneren en overweegt hij dan ook zijn bevindingen ter bestemde plaatse onder de aandacht te brengen.                                                    

                                    Hoogachtend,

                                                                  w.g.     J.C. de Wilde

Als reactie op deze brief ontving ik een brief van de president van de Rechtbank ‘s Gravenhage ,
Mr. H.F.M. Hofhuis, gedateerd  12 januari 2006, waarin de magistraat mij de ontvangst bevestigt van mijn brief van 30 december 2005, gericht aan de kantonrechter mevrouw mr. M.G.L. den Os -Brand.
Naar hij mij berichtte werd deze brief beschouwd als een klacht, waarop diende te worden beslist door het bestuur van de rechtbank
De kantonrechter, zo vervolgde hij zijn brief had een reactie gegeven op mijn brief, waarvan hij mij , naar ik althans aanneem,  van een gedeelte deelachtig maakte.
Naar verluidt had mevrouw de kantonrechter hem het navolgende geschreven:

Ik heb in 2004 een Mulderzaak behandeld waarbij de heer De Wilde in beroep was gekomen.
De Heer De Wilde refereert aan die zaak in zijn brief en stelt dat het ging om een zitting op 29 oktober 2004. Ik neem aan dat dit juist is. Het beroep van de heer De Wilde heb ik gegrond verklaard en hij vroeg vervolgens om een reiskostenvergoeding. Die heb ik toegekend. De heer De Wilde zei per zitting dat hij niet met het openbaar vervoer van zijn woonplaats naar Leiden kon komen, gelet op het aanvangstijdstip van de behandeling van zijn zaak. Ik heb hem gezegd dat hij dan de reiskosten per auto vergoed zou krijgen. Bij het op schrift stellen van de beslissing bleek mij dat de heer De Wilde mij onjuiste informatie had verstrekt. Volgend de reisplanner was tijdig verschijnen in Leiden per openbaar vervoer wel mogelijk, waarop ik de reiskostenvergoeding heb vastgesteld overeenkomstig het openbaar vervoer tarief. Nadat de beslissing aan de heer De Wilde was toegezonden heeft hij mij een  – naar mijn gevoel-  erg onaangename brief gezonden waarop ik vervolgens heb geantwoord. Op zijn daaropvolgende schriftelijke reactie heb ik wederom geantwoord, waarna hij mij wederom schriftelijk benaderde. Ik heb hem toen bericht dat ik verder niet meer zou reageren, omdat mijns inziens de zaak was afgedaan.
Toen ik bij de voorbereiding van de Mulderzitting van 18 oktober 2005 constateerde dat er weer een beroep van de heer De Wilde behandeld werd, heb ik mijn collega mr. R.T. van Leeuwen gevraagd die zaak te doen, omdat mij dat beter leek. Op 18 oktober 2005 zat de heer De Wilde al in de zaal "op de publieke tribune" voordat zijn zaak aan de beurt was. Toen zijn zaak aan de beurt was heb ik geschorst en ben in mijn toga de zaal uitgelopen, waarbij ik aan de heer De Wilde heb meegedeeld dat een andere rechter zijn zaak zou behandelen. Nadat mr. van Leeuwen de zaak had behandeld, ben ik verder gegaan met  de Mulderzitting. Ik meen me te herinneren dat de heer De Wilde toen nog enige tijd in de zaal is blijven zittenx85

De brief van de President werd vervolgd  met de mededeling dat alvorens door het bestuur van de rechtbank op mijn klacht zou worden beslist hij mij in de gelegenheid stelde binnen 14 dagen na dagtekening van zijn brief te reageren. Na het verstrijken van deze termijn zou hij vervolgens omtrent mijn klacht een beslissing nemen.
Vervolgens  werd deze brief afgesloten met de mededeling dat een kopie van dit schrijven werd gestuurd naar de sectorvoorzitter kanton alsook naar de kantonrechter, die hij alsnog met name noemde.

Per brief van 16 januari 2006 heb ik mijn reactie op bovengenoemde brief gegeven.
In deze brief heb ik de President onder ogen gebracht dat ik in mijn brief van 30 december 2005 mevrouw de kantonrechter slechts gevraagd had, wat de reden was om het door mij ingestelde beroep in een Mulderzaak niet te willen behandelen. Voorts heb ik mijn verbazing uitgedrukt  over het feit dat ik via hem had moeten vernemen dat mijn brief  d.d. 30 december 2005 gericht aan  mevrouw den Os als een klacht werd opgevat, terwijl het indienen van een klacht geenszins het oogmerk was bij het schrijven van de betreffende brief.
Ik heb hier direct aan toegevoegd dat de lezing van zijn brief, waarin hij de reactie van mevrouw uiteenzette voor mij aanleiding was mij te beklagen , aangezien mevrouw andermaal de waarheid geweld aandeed.
Vervolgens heb ik uitvoerig belicht wat mij was overkomen, waarbij  ik er nog steeds van uit ga, dat de President  op tal van punten het verschil in lezing heeft onderkend en op grond van het door mij aangereikte bewijs t.w. een kopie van  het door mij op 29 oktober 2004 ingediende declaratieformulier, waarop naast de door mij gedeclareerde autokosten, terdege als alternatief de kosten en reistijden via de trein waren vermeld, tot de conclusie moet zijn gekomen dat ik in deze de waarheid spreek en mevrouw de Kantonrechter het haar vertoonde gedrag camoufleert met een leugen.

Vervolgens heb ik nog in deze brief aangegeven dat ik, ondanks mijn  inspanningen,  weer terug was op het oorspronkelijke uitgangspunt t.w. mijn vraagstelling zoals omschreven in de voorlaatste alinea van mijn brief
d.d. 30 december 2005 t.w. de  vraag of de vreemde reactie van mevrouw  de kantonrechter op 18 oktober 2005 nog een gevolg was van haar kennelijke frustraties rondom eerder genoemde trottoirincident.

Hierop werd mij door de president van genoemde rechtbank per brief van 7 februari 2006 bericht  dat het conform de klachtenregeling van de rechtbank ‘s Gravenhage niet mogelijk was te klagen over inhoudelijke en processuele rechterlijke beslissingen, hetgeen hij als volgt toelichtte:

U kunt, zoals is neergelegd  in de klachtenregeling van de rechtbank ‘s Gravenhage niet klagen over inhoudelijke en processuele rechterlijke beslissingen. Het is niet te rijmen met de onafhankelijkheid van de rechter dat ik mij daar een oordeel over zou vormen. Beide aspecten van uw klacht hebben betrekking op beslissingen van de kantonrechter. Dit betreft dus zowel de beslissing om uw beroep van 18 oktober 2005 te laten behandelen door een collega als de beslissing om de door u gemaakte autokosten niet te vergoeden. Ik neem uw klacht om die reden niet in behandeling.
Overigens ben ik van mening dat de kantonrechter, hoewel daartoe niet verplicht, u voldoende heeft gexefnformeerd omtrent de beweegredenen om uw tweede beroep op 18 oktober niet te behandelen.
En kopie van deze brief stuur ik naar de sectorvoorzitter en aan de kantonrechter Mr. M.G.L. den Os-Brand.

Aangezien  uit het ontvangen antwoord bleek dat in het geheel niet werd ingegaan op de door mij ingediende klacht, was dit voor mij aanleiding om de president te attenderen op zijn omissie, hetgeen resulteerde in mijn brief
d.d. 7 maart 2006.

Ik heb hem in deze brief opnieuw onder ogen gebracht dat mevrouw de kantonrechter, om haar hoogst merkwaardig handelen te rechtvaardigen, de waarheid  aantoonbaar geweld aandoet en daarbij mijn integriteit ter discussie stelt
Voorts heb ik in deze brief aangegeven dat ik van een kantonrechter onkreukbaarheid en integriteit meen te mogen verwachten, criteria die ik bij mevrouw niet meen te onderkennen, hetgeen dan ook de reden is u te verzoeken deze affaire als een klacht te willen behandelen.

En passant heb ik nog vermeld, dat het mij niet duidelijk was waarop hij zijn  mening, zoals weergegeven in de laatste alinea van zijn brief,  baseerde, omdat het door mevrouw gegeven antwoord, dat het haar beter leek een andere kantonrechter de op 18 oktober 2005 dienende zaak te laten behandelen  geenszins een afdoend antwoord geeft op de door mij in mijn brief van 30 december 2005 aan haar gestelde vraag
Ik heb aan het slot van deze brief mijn verwachting uitgesproken alsnog een volledig antwoord op mijn eerder verzonden brief te mogen ontvangen.

Aangezien laatstgenoemde brief  eveneens onbeantwoord bleef heb ik per brief van 18 mei 2006 wederom onder de aandacht gebracht, waarvan onderstaand de redactie:

Rechtbank ‘s Gravenhage
Postbus 20302,
2500EH Den Haag
t.a.v secretariaat Klachtenbureau President                 Wilhelminaoord, 18 mei 2006

Tot op heden ontving ondergetekende nog geen reactie op zijn klacht door hem ingediend per aangetekend schrijven d.d. 7 maart 2006 jegens mevrouw Mr. M.G.L. den Os-Brand inzake haar beschuldiging in een aan u geschreven brief, door u in uw brief d.d. 12 januari 2006 ter kennis gebracht aan ondergetekende, als zou hij haar onjuist hebben gexefnformeerd teneinde voor een hogere vergoeding  in aanmerking te komen voor de reiskosten die ondergetekende heeft moeten maken om de kantonrechter te overtuigen van de onrechtmatigheid  van de hem opgelegde sanctie voor een hem ten laste gelegde parkeerovertreding.
Zoals ondergetekende in zijn brief van 7 maart te uwer kennis bracht meent hij van een kantonrechter onkreukbaarheid  en integriteit te mogen verwachten, waarbij hij tevens aantekent  dat het blijkbaar licht ontvlambare karakter  van mevrouw, zoals zij dit blijkens de zitting van 29 oktober 2004 ten toon spreidde en haar leugenachtige verklaring om achteraf haar gelijk te halen mij hoogst ongepast voorkomen voor een dame van haar postuur.

Dit is dan ook de reden dat ondergetekende andermaal deze affaire onder uw aandacht brengt met verwijzing naar het eerder gedane verzoek zoals omschreven in zijn brief van 7 maart jl.
Mocht u termen aanwezig achten om bovenstaande klacht niet in behandeling te kunnen of willen nemen, dan verzoekt ondergetekende u hem met redenen omkleedt hiervan kond te doen.

Teneinde niet de schijn te wekken dat deze affaire onder het tapijt geveegd wordt, zult u het ondergetekende dan ook niet euvel duiden dat hij alsnog op zo kort mogelijke termijn van u een inhoudelijke reactie verwacht

                                                Hoogachtend,

      w.g. J.C. de Wilde

Aangezien ditmaal wederom iedere vorm van reactie uitbleef, heb ik andermaal de President van de rechtbank weliswaar in iets scherpere bewoordingen opnieuw benaderd met mijn brief d.d.15 juni 2006, waarvan onderstaand de redactie:

Rechtbank "s Gravenhage
Postbus 20302,
2500EH den Haag
t.a.v. secretariaat Klachtenbureau President.                Wilhelminaoord, 15 juni 2006

Geachte Heer Hofhuis,

Ondanks een aan u toegezonden reminder d.d. 18 mei 2006 mocht ondergetekende tot op heden nog steeds geen antwoord ontvangen inzake de door hem aan u geschreven brieven d.d. 7 maart resp. 16 januari 2006.

Laatstgenoemde brief behelsde een reactie op uw brief d.d. 12 januari 2006, waarin u ondergetekende uitnodigde te reageren op een door hem aan mevrouw den Os d.d. 30 december 2005 geschreven brief, die door u blijkens de eerste alinea van uw brief ten onrechte als klacht werd opgevat.
In zijn brief d.d. 16 januari 2006 heeft ondergetekende te uwer kennis gebracht dat dit geenszins de bedoeling was van de door hem aan mevrouw den Os geschreven brief, doch dat haar leugenachtige verklaring, zoals in uw brief van 12 januari 2006 omschreven, voor ondergetekende juist aanleiding was alsnog een klacht in te dienen, om reden zoals in zijn brief van 16 januari 2006 uiteen gezet.
In uw brief van 7 februari 2006 geeft u vervolgens aan dat het u niet mogelijk is hierop inhoudelijk en processueel te reageren om reden dat dit niet te rijmen zou zijn met de onafhankelijkheid van de rechter.
Dit argument als juist aannemende, doet bij ondergetekende de vraag rijzen, waarom u zich destijds gemengd heeft in deze onverkwikkelijke affaire.
Hoewel ondergetekende u intelligent genoeg acht om uit de inhoud van zijn brieven d.d. 7 maart resp. 18 mei 2006 te kunnen distilleren dat de door hem op 7 maart 2006 ingediende klacht jegens mevrouw den Os niets uitstaande heeft met de onafhankelijkheid van de kantonrechter, doch des te meer met haar leugenachtige verklaring als zou ondergetekende haar onjuist hebben voorgelicht om alsnog voor een hogere onkostenvergoeding in aanmerking te komen.
Gelet op de redactie van de laatste alinea van zijn brief d.d. 18 mei 2006 zult u het ondergetekende  dan ook niet euvel duiden dat hij het niet reageren op zijn twee als laatste verzonden brieven hem hoogst onverstandig voorkomt.
Aangezien hij er bovendien voorts nog van uitgaat dat ook een president van de rechtbank de meest elementaire regels van fatsoen in acht neemt, meent hij thans op korte termijn een relevante beantwoording van zijn brieven te mogen verwachten.
        Hoogachtend,

                                                                                                                                      w.g. J.C. de Wilde

Ondanks mijn beroep op de intelligentie en het eergevoel van de president  bleef ook dit maal iedere vorm van reactie uit.
Dit was dan ook voor mij aanleiding  hem per brief van 14 juli 2006  nogmaals aan  de onderhavige affaire te herinneren.
In deze brief  heb ik ondermeer aangegeven dat ik mij inmiddels volkomen vrij achtte deze aangelegenheid in de openbaarheid te brengen en tevens gewag gemaakt van mijn voornemen de onderhavige zaak ter kennisgeving aan te dragen bij de daarvoor in aanmerking komende instanties
.
Deze brief heb ik dan ook bexebindigd met de hier onderstaand  zinsnede:

Lang heeft ondergetekende zijn best gedaan om voor u enig respect op te brengen, doch de thans ontstane indruk dat u tracht uit misplaatste loyaliteit een leugenachtige kantonrechter te sauveren waarbij u zelfs niet schroomt zich quasi onnozel en onbeschoft op te stellen, maakt het hem ten ene male onmogelijk hierin te volharden.

Per kerende post werd hierop gereageerd.
In zijn brief  d.d. 18 juli 2006 verwijst de president naar zijn brief van 7 februari, waarin hij mij heeft bericht mijn klacht d.d. 30 december 2005 ongegrond heeft verklaard.
Voorts geeft hij aan dat hij zijn beslissing heeft gebaseerd op het standpunt van de kantonrechter, zoals hij deze heeft weergegeven in zijn brief van 7 februari 2006 t.w.

Het beroep van de heer De Wilde heb ik gegrond verklaard en hij vroeg vervolgens om een reiskostenvergoeding. Die heb ik toegekend. De heer De Wilde zei ter zitting dat hij niet met het openbaar vervoer van zijn woonplaats naar Leiden kon komen, gelet op het aanvangstijdstip van de behandeling van zijn zaak. Ik heb hem gezegd dat hij dan de reiskosten per auto vergoed zou krijgen. Bij het op schrift stellen van de beslissing bleek mij dat de heer De Wilde mij onjuiste informatie had verstrekt.
U bestrijdt niet dat u ter zitting hebt meegedeeld hetgeen in het citaat  staat weergegeven. De mededeling van uw kant was voor de behandelend kantonrechter te zitting aanleiding om toe te zeggen dat de door u gemaakte autokosten zouden worden vergoed Op basis van informatie die de kantonrechter later onder ogen is gekomen, heeft zij besloten van die toezegging terug te komen. Zoals ik u reeds heb meegedeeld treed ik niet in de beoordeling van een inhoudelijke beslissing van een kantonrechter. Om die reden kan ik ook niet beoordelen of de kantonrechter zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat u haar onvolledig hebt gexefnformeerd.. Ik kan mij voorstellen dat dit onbevredigend voor u is, ik zie echter geen mogelijkheid om u op enige wijze aan uw onvrede tegemoet te komen.
Een kopie van deze brief stuur ik naar de waarnemend sectorvoorzitter kanton en aan de kantonrechter
mr. M.G.L.den Os-Brand.

Hoogachtend,
Namens het bestuur van de rechtbank, 

w.g. H.F.M. Hofhuis
      president

Ondanks dat ik inmiddels een vijftal pogingen gedaan had om bovengenoemde president uit te leggen dat mijn klacht geen betrekking heeft op de in zijn brief omschreven kwestie rondom de reiskosten vergoeding, doch om het feit dat mevrouw de kantonrechter een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, waardoor ik mij in mijn goede naam voel aangetast, geeft hij met zijn brief  aan dat hij nog steeds niet heeft begrepen, dan wel niet wil begrijpen, waar de schoen wringt.
Desalniettemin heb ik, hoewel ik wel weet dat men een geit ook niet het Onze Vader kan leren, hetgeen niet op conto van  dit gebed kan worden geschreven, per brief van 17 augustus 2006  nogmaals de moeite genomen, om de magistraat de kern van de zaak uit te leggen.
Evenals bij mijn vorige brieven het geval was, heb ik teneinde de onderhavige zaak voor hem nog enigszins begrijpbaar te maken de strekking van de inhoud in een vet lettertype samengevat , ditmaal als volgt:

Ten overvloede wijst ondergetekende er nogmaals op dat zijn klacht geen betrekking heeft op het onbenul van het O.M.,  noch op het onprofessioneel optreden van de kantonrechter tijdens eerstgenoemde Mulderzaak , waarbij hij wel tot het inzicht is gekomen dat in dit soort zaken nu niet bepaald het crxe8me de la crxe8me  van het justitixeble apparaat achter de groene tafel plaats neemt.
U kunt dan ook na lezing van de op deze zaak betrekking hebbende correspondentie niet staande houden dat u hieromtrent iets gevraagd of verzocht is, laat staan dat hij u verzocht heeft om u uit te spreken over de inhoudelijke beslissing van de kantonrechter.
Wel heeft ondergetekende conform de in artikel 3 van de hem toegezonden klachtenregeling per brief
van 16 januari 2006,  een klacht ingediend, zoals in de eerste alinea van genoemde brief  is omschreven.

Blijkbaar tot het inzicht gekomen dat men niet tot ten eeuwigen dage de onnozele hals kan blijven uithangen ontving  ik enkele dagen  later een brief  van de plv. presidente  d.d. 17 augustus 2006, waarin zij verwees naar de brief
d.d. 18 juli 2006, waarin mr. Hofhuis mij namens het bestuur van de rechtbank zijn visie op de zaak had gegeven.
Bijgevolg zag zij geen aanknopingspunten voor een andere reactie.
Voorts deelde zij mij nog mee, dat mijn klacht hiermede was afgedaan en dat op verdere brieven van mijn kant niet meer zou worden gereageerd.

Als reactie op deze brief heb ik haar enkele weken later in antwoord op haar briefje nog geantwoord , waarvan onderstaand de redactie:

Rechtbank ‘s Gravenhage,
Postbus 20302
2500 EH  den Haag
t.a.v. mevrouw Adriana C.J. van Dooijeweert            Wilhelminaoord, 13 september 2006

Betreft gebrek aan communicatievermogen
Blijkens ontvangen brief van 17 augustus 2006-

Geachte Mevrouw,

Hoewel u in uw brief van 22 augustus 2006, naar ondergetekende  aanneemt, in opdracht van Mr. Hofhuis geschreven, aangeeft dat het bestuur van de rechtbank zijn visie over deze zaak heeft gegeven waarmee zijn klacht zou zijn afgedaan, komt het hem, al was het alleen maar ter wille van de geschiedschrijving  toch nog gewenst voor, niettegenstaande uw mededeling dat niet meer op de betreffende klacht zal worden gereageerd nog enkele kanttekeningen  te plaatsen inzake de wijze waarop uw bestuur heeft gemeend de behandeling van de onderhavige zaak te kunnen afdoen.
Wat ondergetekende ten hoogste verbaasd heeft, is dat de president van uw rechtbank maanden lang de onnozele hals speelt door in de beantwoording van zijn brieven de suggestie te wekken, als zou hij  de klacht van ondergetekende niet hebben begrepen.
In dit verband is het dan ook bepaald lachwekkend van u te vernemen dat het bestuur van uw rechtbank hieromtrent  haar visie heeft bepaald.

Gezien het kwaliteitsaspect, zoals dit uit de nietszeggende brieven naar voren komt, waarbij u in uw laatste brief refereert aan het door het bestuur van uw rechtbank gegeven visie, zonder inhoudelijk op  zijn klacht in te gaan, meent ondergetekende dan ook iedere beklaagde sterkte te moeten wensen die aan het oordeel van uw rechtbank onderworpen wordt.

De door u weergegeven conclusie dat zijn klacht thans is afgedaan getuigt dan ook van een niet geringe zelfoverschatting en arrogantie, die gelet op de wijze waarop getracht wordt deze zaak onder het tapijt te vegen hem niet alleen uiterst dom voorkomt, doch ook als buitengewoon lafhartig.

Het zou van respect getuigd hebben, indien aan ondergetekende  in eerste aanleg zou zijn  bericht,  dat de president niet in de onderhavige kwestie wilde treden en hem direct naar elders zou hebben verwezen en wel met een meer voor de hand liggend advies dan waarvan u in uw laatste brief  sprake is.

Indien de president zich tot deze boodschap zou hebben beperkt, dan zou hij ondergetekende veel tijd hebben bespaard en zou dit alsnog hebben bijgedragen tot enig respect voor uw organisatie.
Al hoewel dan weer de vraag onbeantwoord zou zijn gebleven waarom de president zich in deze zaak heeft gemengd.
Tot slot van de met uw instituut gevoerde correspondentie  wil ondergetekende nog even kwijt dat, gelet op uw onwaarachtige opstelling om zich van iedere verdere reactie te onthouden, hem niet onverstandig voorkomt.
Hopelijk ligt aan uw besluit het inzicht ten grondslag dat u, door uw opstelling in de onderhavige zaak, het niet langer verantwoord acht het aanzien van de gerechtelijke macht nog verder te blameren.

Mocht u zich door dit schrijven beledigd of gekwetst voelen, dan zou ondergetekende, al was het alleen maar uit publiciteitsoverwegingen, het op prijs stellen, indien u een procedure tegen hem zou willen aanspannen.

Doch hij vreest dat het ook hier aan de nodige ruggengraat zal ontbreken.

Met vriendelijke groeten

w.g.  J.C. de Wilde

P.S. Begin december 2006  heb ik aan de kantonrechter in kwestie bovenstaand verslag toegestuurd, vergezeld van een briefje, met onderstaande inhoud.
Aangezien ik van betrokkene geen enkele reactie mocht ontvangen, ga ik er van uit dat zij  zich in de hierboven geschetste voorstelling  van zaken kan vinden.

Mevrouw Mr. M.G.L. den Os-brand
p.a. Rechtbank ‘s Gravenhage,
       Sector kanton, locatie Leiden
       Postbus 1171,
       2301ED Leiden                        Wilhelminaoord, 1 december  2006

Mevrouw,

Bijgesloten doe ik u een essay toekomen, zoals dit een dezer dagen op mijn web-log zal worden geplaatst.

Voorts ligt het in mijn voornemen, hetgeen mij is overkomen in de publiciteit te brengen, ten einde de buitenwereld duidelijk te maken, hoe ons  justitixeble apparaat  is verworden tot een ongecontroleerde en wanpresterende moloch, waaraan u door uw arrogante en leugenachtige opstelling  mede  hebt bijgedragen.

Aangezien u in deze soap een niet onbelangrijke rol speelt, meen ik correct te handelen u bereids van dit voornemen in kennis te stellen.

J.C. de Wilde

3 January 2007
By on 16:54